SP wil nu geweldloos de wereld verbeteren; Een zuil in aanbouw

Het reëel bestaand socialisme was definitief verdwenen in Oost-Europa. Maar in Nederland schreef de SP in 1991 een beginselvast handvest met als doel: de 'fundamentele omwenteling' van de maatschappij. Vorig jaar brak de partij door in de landelijke politiek onder leiding van de bankwerker-politicus Marijnissen. En vorige maand marcheerde de SP door naar een zetel in de senaat. De historie van een anachronisme.

Een proper rijtjeshuis in een propere nieuwbouwwijk van Schijndel, industriedorp onder de rook van Den Bosch. Een gedrongen man, wat verlegen, grijzend, wijkende blik, Brabantse tongval, zonnige natuur. Ger Wouters is representant van het reëel bestaand socialisme in Nederland. En dat is hij sinds 1972. Toen kwam Jan Marijnissen uit het naburige Oss vertellen wat de Socialistiese Partij deed tegen de oorlog in Vietnam. Zelf was-ie naar de bijeenkomst gegaan omdat hij dacht dat mensen van de radicale Rode Jeugd zouden komen. “Ik was van plan ze te vertellen dat ze verkeerde methodes hadden”, zegt Wouters. Maar toen bleek het de SP te zijn. “Althans het SP-comité Van Mens tot Mens: iedereen kreeg een stuk van een pagina uit een Amerikaans telefoonboek en die mensen kon je dan een kaartje sturen. Om ze bewust te maken van de verschrikkingen van de Vietnam-oorlog. Met Jane Fonda: 'What will you tell your children.' Vind ik nog steeds een hele mooie actie.”

Sinds die avond is de betrokkenheid van Wouters met de partij niet meer gestopt: Marijnissen hielp met het opzetten van een afdeling in Schijndel. “Een soort missionaris, ja.” Wouters moet lachen.

Inmiddels stemt ruim een kwart van de 22.000 inwoners van Schijndel op de SP, die nu de grootste partij is in het dorp. De SP heeft zes leden in de gemeenteraad. De partij heeft een grote stem in de lokale woningbouwvereniging Huis en erf, eigenaar van 3.000 woningen, grotendeels bewoond door SP-leden of -kiezers. “Het is wel de enige woningbouwvereniging die vorig jaar ontheffing van de huurverhoging heeft aangevraagd”, zegt Wouters. De vereniging heeft die ontheffing natuurlijk niet gekregen, maar daar gaat het niet om.

Nog zo iets praktisch: bij Wouters aan huis is de SP Hulp- en Informatiedienst gevestigd. Waar vroeger de tuin was, hebben partijleden een vergaderzaal (in de gemeentelijke vergunning geregistreerd als 'hobby-ruimte gezin Wouters') en kantoor gebouwd. “Heeft alles bij elkaar niet meer dan 40.000 gulden gekost. Geld dat we van de partij geleend hebben en dat de leden van de afdeling nu weer terugbetalen”, zegt Wouters trots. “We behandelen hier alleen geen burenruzies en echtscheidingen maar voor de rest kun je het zo gek niet bedenken of de mensen komen bij ons om advies.”

Het is hard gegaan. Volgens opgave van de SP is de partij met 17.000 leden naar omvang de vijfde partij van het land. Overigens zouden er in het afgelopen jaar duizend nieuwe leden bij zijn gekomen. De partij had tot de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 zeventig raadsleden in 29 fracties, daarna 126 raadsleden in 44 gemeenteraden. De SP telt nu honderd afdelingen, en afdelingen in oprichting, verdeeld over elf districten. En sinds vorig jaar is de SP nationaal doorgebroken: de partij die zich jarenlang voornamelijk had gemanifesteerd in de gemeenteraden van Noord-Oost Brabant kreeg twee zetels in de Tweede Kamer. Bovendien brak de SP door in de grote steden van de Randstad. De opmars van de socialisten ging met de jongste Statenverkiezingen vorige maand door: er komen twaalf SP'ers in verschillende Provinciale Staten. Ook in de Eerste Kamer krijgt de partij een zetel.

En Ger Wouters is sinds 1991 lid van het hoogste orgaan van de partij, het partijbestuur. Samen met zijn oude vriend Marijnissen, partijvoorzitter en sinds vorig jaar Kamerlid, partij-secretaris Tiny Kox en coördinator partijbureau Theo Cornelissen - allen Brabanders - vormen zij het dagelijks bestuur van de partij.

Arbeideristen

Eigenlijk begon het allemaal met de breuk tussen Peking en Moskou in de eerste helft van de jaren zestig. Binnen de CPN leidde dat tot oppositie van communististen die de lijn van de Chinese partijvoorzitter Mao voorstonden. De politicoloog Gerrit Voerman van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen in Groningen heeft beschreven hoe de toenmalige leider van de CPN, Paul de Groot, deze Maoïsten de partij uitwerkte (In: De 'rode Jehova's', een geschiedenis van de Socialistiese Partij). Ter onderscheiding van de overige - dwalende - communisten tooiden alle op Peking gerichte splintergroepen zich vanaf dat moment met de toevoeging 'marxistisch-leninistisch'. In Rotterdam schaarden de oppositionelen zich rond het Marxistisch-Leninistisch Centrum Rotterdam, in Amsterdam bestond een groep rond de Rode Vlag - in 1967 zou daaruit de Rode Jeugd voortkomen.

Via een reeks scheuringen en splitsingen in het rode front ontstond in 1970 in Rotterdam de Kommunistische Eenheidsbeweging marxistisch-leninistisch (KENml). Ook hier trad vrij snel een splitsing op tussen de 'intellectuele' en de 'proletarische' lijn. De arbeideristen gingen in 1971 onder leiding van de Rotterdamse arbeider en oud-CPN'er Daan Monjé verder onder de naam Kommunistische Partij Nederland (ml). Maar al snel werd die naam te verwarrend gevonden en zo werd de partij in 1972 omgedoopt tot Socialistiese Partij. Monjé zou tot zijn dood in 1986 partijleider blijven.

Karakteristiek voor de SP was het concept van de massa-lijn, schrijft Voerman. Revolutionairen waren door Mao opgeroepen zich onder te dompelen in het volk, het te dienen en aandachtig te luisteren “naar de stem van de massa”. Niet de theorie was van belang maar “het primaat van de praktijk”. Daarmee onderscheidde de SP zich gedurende de jaren zeventig ook van de vele andere Maoïstische splintergroepen.

In het Rotterdamse partijbureau herinnert de huidige partijsecretaris Kox - in de informele hiërarchie ergens tussen duo-voorzitter en tweede man - zich de nachtelijke discussies gedurende zijn Tilburgse studententijd. “De anderen spraken over de grootse visioenen in een verre toekomst. Noemden ons geringschattend 'simplisten'. Maar wij hadden ons aan de realiteit te houden. Wij moesten de volgende ochtend om tien uur bij die bijeenkomst van de huurdersvereniging zijn, die we hadden georganiseerd. De visioenen van die anderen waren een stuk geduldiger.”

Voerman beschrijft hoe het primaat van de praktijk gekoppeld was aan “een populistische verheerlijking van het volk” die leidde tot “een geringschattende houding ten opzichte van intellectuelen”. Aanvankelijk leefde bovendien de overtuiging dat alleen een gewelddadige revolutie gedragen door de meerderheid van de bevolking een einde zou kunnen maken aan het kapitalisme.

De Proletkult onder de studentenpopulatie van Nijmegen van de beginjaren zeventig leidde tot straffe, fanatieke naleving van de beginselen. Eén van de toenmalige leiders, Koos van Zomeren, beschreef in 1985 in zijn roman De Witte Prins de opofferingen die partijleden van elkaar verwachtten: “Om te beginnen offerden wij onze vrijheid. Je gaf je individualiteit prijs, voor een kritiekloze onderwerping aan de partij. Je deed afstand van je maatschappelijke loopbaan. Studies werden afgebroken om in de fabriek te werken. (...) Dat alles offerde je op en nog veel meer - maar dan was je nog allerminst verzekerd van het predikaat goed partijlid.”

Bril scheef

In de boekenkast boven het misprijzende gezicht van Jan Marijnissen zijn werken zichtbaar van Marcuse en Marx. De partijvoorzitter zucht. Hij heeft al zo vaak moeten uitleggen dat de beeldvorming over de SP fout is, gebaseerd op de allereerste beginjaren en dan nog onder de studenten in Nijmegen. “Die hielden voornamelijk elkaar bezig met het opzoeken van citaten in de werken van Marx en anderen. Dat was natuurlijk bullshit.”

De studenten kozen uiteindelijk meestal toch voor hun carrière, zegt Marijnissen. De partij ontdeed zich in de tweede helft van de jaren zeventig van het Maoïsme, maar de werkwijze van de SP bleef geïnspireerd door de massa-lijn. In de jaren zeventig trok de partij een reeks op specifieke belangenbehartiging gerichte mantelorganisaties op: Voorkomen is Beter (gezondheidszorg), de Bond van Huurders en Woningzoekenden (huisvesting) en het Milieu Aktiecentrum Nederland (MAN). Daarnaast is de partij sterk in het organiseren van protestacties tegen de meest uiteenlopende misstanden. De Nijmeegse studenten van het eerste uur beschouwden acties als de eerste schermutselingen voorafgaand aan de revolutie. Inmiddels dienen manifestaties om “de gewone mensen” bij te staan en te overtuigen van de goede bedoelingen van de partij.

In de gemeenten waar de SP sterk is, gaat de partij als geen andere de buurten in om te horen wat er leeft. “Wij spreken nooit over de 'onderkant', of over 'zwakke groepen'. Dat roept het beeld op van iemand met zijn bril scheef op de neus. En wij doen ook niets vóór de mensen”, zegt partijsecretaris Kox, “Wij helpen mensen het zelf te doen.”

De partij lacht zich een hoedje om de fameuze kloof tussen burger en politiek. De SP gaat er prat op het onrecht schouder aan schouder met 'de mensen' te bestrijden. Of het nu gaat om een vervuilend bedrijf, een verkeersdrempel, of een speelvoorziening: de SP is bereid over te gaan tot actie. In gemeenten waar de partij zeer sterk is, zoals in Oss waar Marijnissen woont (9 zetels in de raad), heeft de partij alle kenmerken van een zuil in aanbouw. De partij is aanwezig op alle terreinen van het leven. SP'ers kunnen voor medische hulp terecht bij hun partij, voor juridisch advies, voor huurbescherming, voor een hardloopwedstrijd en de kinderen kunnen naar de SP-speeltuin, waar de echtgenote van de partijleider voorzitter van is. “De verzuiling was voornamelijk negatief doordat zij leidde tot een morele verstarring”, zegt Marijnissen, “Aan de andere kant konden arbeiders, of katholieken, zich door die verzuiling juist emanciperen. En dat is positief.”

Eenheidsworst

De socialisten richten zich niet op de gemakkelijkste groep kiezers: het is de grootste partij van Nederland, die van de Niet-Kiezers. Mensen die zich uit teleurstelling van de politiek en met name van de PvdA hebben afgewend. Die standpuntbepaling zorgt wel weer voor een kloof tussen SP en de andere politieke partijen in de Kamer. Toen Marijnissen tijdens de formatie bij de koningin moest komen om een advies uit te brengen over het nieuw te vormen kabinet, liet hij via een persbericht weten dat de SP de majesteit een Hema-rookworst had geschonken onder het motto “dat is in ieder geval betere kost dat die eenheidsworst van PvdA, CDA, VVD en D66”. In werkelijkheid voerde hij een veertig minuten durende discussie met de vorstin over het probleem van de werkgelegenheid en over de vraag of zij wel een goed beeld kon hebben van de werkelijkheid wanneer zij niet met 'echte mensen' sprak. “Ze vertelde dat ze dat wel deed, laat ik het daar maar bij laten”, zegt Marijnissen.

Net als 'de gewone mensen' die hij wil representeren, spreekt de SP-fractievoorzitter graag laatdunkend over 'De Politiek'. Ondertussen is Marijnissen full-time politicus in dienst van zijn partij. Net als alle andere volksvertegenwoordigers van de SP moet hij zijn schadeloosstelling afdragen. Gemeenteraadsleden hebben naast hun raadswerk hun baan, zo is de redenering. Kamerleden ontvangen een salaris van de partij. “Marijnissen krijgt 2.500 gulden netto per maand”, zegt partijsecretaris Kox, die overigens zelf ook op de loonlijst staat, “En dat is mooi zat voor dat soort werk.” De reden voor die regeling is een principiële: de partij vindt niet dat mensen in de democratische organen beter beloond hoeven te worden dan de 'werkers' die zich om niet overal in het land voor de SP inspannen. Het kenmerk van de SP is nog steeds dat een buitengewoon groot aantal leden zich wil inspannen voor de organisatie. “Voor de verkiezingscampagne kunnen wij zó vier tot vijfduizend vrijwilligers inzetten”, zegt Kox. In totaal heeft de partij op het partijkantoor in Rotterdam en bij de fractie in Den Haag zo'n 25 mensen in loondienst. Op de vraag wat zijn beroep is, antwoordt Marijnissen onbewogen: “Bankwerker.” Op zijn kamer in het partijkantoor in Rotterdam hangt een ingelijste foto van de voorzitter in blauwe overall, nog mét snor, lasmasker nonchalant op het hoofd geschoven. “Een geposeerde foto”, erkent Kox, “Er is geen lasser meer die nog in zo'n overall rondloopt.”

Scheuring

Doordat de partijtop bestaat uit mensen die stuk voor stuk zo ongeveer vanaf de oprichting van de partij meedraaien, bestaat de indruk dat de ontwikkeling binnen de SP zich voltrokken heeft langs een rechte lijn. Dat beeld wordt verder versterkt door de afkeer van de SP om interne discussie en verdeeldheid te etaleren. Volgens Kox is die er ook nauwelijks. “We zijn een strijdorganisatie. Dat wil zeggen gericht op een gezamenlijk doel, daaraan zijn eventuele onderlinge tegenstellingen ondergeschikt.”

Toch is de huidige bloei van de SP te herleiden tot een stille machtsovername binnen de partij. Marijnissen erkent dat de SP in het begin van de jaren tachtig een aarzelend bestaan leidde. De partij concentreerde zich op het werk binnen de gemeenten: milieu-acties, stakingen, huurdersacties, praktische belangenbehartiging. Marijnissen en Kox waren ervan overtuigd dat de partij moest worden getransformeerd tot een nationale organisatie, in plaats van de federatie van lokale afdelingen die de SP op dat moment was. Partijleider Monjé was mordicus tegen. “Dus propageerden wij onze lijn op slinkse wijze, dat wil zeggen: voorzichtig om scheuring te voorkomen”, zegt Marijnissen. Op het vierde partijcongres in 1987, na het overlijden van Monjé, werden de inspanningen beloond. Marijnissen werd partijleider en werkte voortvarend aan de ombouw van de SP tot 'normale' politieke partij. De organisatie die geboetseerd was naar klassiek, democratisch, centralistisch Oostblok-model, werd omgevormd. Zo werd het Centraal Komitee omgedoopt tot partijbestuur en uitgebreid van vijf tot 24 man. In het partijbestuur zitten de elf districtsvoorzitters, de overigen zijn gekozen door het congres. Er kwam bovendien een Partijraad, de ledenvergadering van de SP met daarin de afdelingsvoorzitters en het partijbestuur. Dit orgaan, waarin zo'n honderd mensen zitting hebben, vergadert om de drie maanden en sinds kort gebeurt dat in de Jaarbeurs in Utrecht, waar bijvoorbeeld ook het CDA-bestuur sinds jaar en dag bijeenkomt.

Op het partijcongres van 1991 (de SP congresseert om de vijf jaar) werd ook het tot dan toe bestaande onderscheid tussen volwaardige leden, met stemrecht, en steunleden opgeheven. Beeldbepalend voor de 'normalisatie' van de SP was dat de partij eindelijk officieel afscheid nam van de typering 'marxistisch leninistisch': om dat te onderstrepen werd ook de spelling aangepast: 'Socialisties' werd 'Socialistisch'. Marijnissen nu: “Dat marxistisch-leninistisch was meer een plaatsaanduiding, dan dat het substantieel iets inhield. Het had meer te maken met het feit dat de SP zich nadrukkelijk in ideologisch opzicht wilde onderscheiden van de sociaal-democratie.”

Het congres nam in 1991 echter ook een nieuw beginselprogram aan: SP: theorie en praktijk. Hierin neemt de partij uitdrukkelijk afscheid van het verleden: “De marxistisch-leninistische ideologie (...) is als begrip verwarrend en dus onbruikbaar. Ons beroepen op dat begrip wekt de indruk als zouden wij opereren in het kielzog van ook diegenen die er elders onder deze vlag een puinhoop van gemaakt hebben. Niets is minder waar.” Tegelijkertijd herformuleert de partij het oude socialistische gedachtengoed: een 'fundamentele omwenteling' is noodzakelijk. Maar de gewelddadige revolutie als middel om het doel te bereiken is definitief uit beeld geraakt: “Voorwaarde is dat we meer mensen van de juistheid van onze visie moeten overtuigen.” Dat overtuigen is geen kwestie van eenrichtingsverkeer: de SP baseert haar standpunten voor een belangrijk deel op datgene wat de partij hoort onder 'de mensen'. Al in 1983 veroorzaakten twee notities van de SP, over feminisme en over allochtonen, opschudding. Aan feminisme hadden arbeidersvrouwen geen behoefte, zo vond de partij, dat was iets voor de burgerij. In Gastarbeid en kapitaal ventileerde de SP gedachten uit de wijken over minderheden: gastarbeiders die wilden remigreren zouden daarvoor moeten worden beloond, op degenen die bleven moest druk uitgeoefend worden om te integreren, en bovendien was de partij voor vrijwillige spreiding. Een storm van kritiek barstte los over de partij: dit was populisme. Het SP-standpunt over de minderheden overleefde de herijking van 1991. Sterker: de remigratiebonus (“oprotpremie”) en het inburgeringscontract zijn staand kabinetsbeleid, terwijl ook buiten de SP voorzichtig nagedacht wordt over “instrumenten” om allochtonen vrijwillig te spreiden.

Als praktische leidraad voor het socialisme in de jaren negentig geldt het Handvest 2000 dat een toekomstvisie in veertien punten presenteert. Die behelzen onder meer: nationalisatie van grote bedrijven waarbinnen overigens een arbeiderszelfbestuur dient te worden gevestigd, invoering van een werkplicht naast een recht op werk, invoering van het principe 'loon naar werken' waarbij het hoogste salaris niet meer mag bedragen dan het drievoudige van het laagste. Verder worden voorzieningen in de gezondheidszorg voor iedereen gratis en werken artsen in loondienst. De inhoud van het onderwijs moet in de allereerste plaats gericht zijn op de praktische bijdrage die de afgestudeerden aan de gemeenschap kunnen leveren. Boeren “werken voor een goed loon en genieten bestaanszekerheid”. “We willen de wereld verbeteren, nog steeds”, zegt Tiny Kox.

Dappere keutel

Het is dinsdagochtend 4 april. De SP-fractie in de Tweede Kamer vergadert in de Oudkamer aan het begin van de laatste parlementaire week voor het Paasreces. Behalve Marijnissen en zijn fractiegenoot Remi Poppe, voorheen milieu-activist in Vlaardingen, is het 'P-team' aanwezig: fractie-secretaris Anton Thie en de medewerkers Cor Vergeer, Hans van Hooft, Jan de Wit en Agnes Kant. Kant is ook raadslid en ex-voorzitter in het SP-bolwerk Doesburg, Vergeer en Van Hooft zijn fractievoorzitters in de gemeenteraden van Leiden en Nijmegen. Van Hooft was bovendien tot 1987 partijvoorzitter. De advocaat Jan de Wit is de SP-kandidaat voor de Eerste Kamer. In 1972 was hij oprichter van de SP-afdeling in zijn woonplaats Heerlen. Niet aanwezig is Harry van Bommel, die tevens voor de partij in de gemeenteraad van Amsterdam zit.

Marijnissen opent de vergadering, die sterk het karakter heeft van een agenda-overleg, zoals hij tevoren gewaarschuwd had. Marijnissen stelt vragen, de anderen antwoorden. “Wat gaan we doen met de brutering?” De PvdA greep de afgelopen weken de verzelfstandigingsoperatie van de woningbouwcorporaties aan om D66-staatssecretaris Tommel te roosteren: huurverhogingen moesten binnen de perken blijven. Het is een beleidsterrein waar de SP zich als een vis in het water voelt. Poppe legt uit dat hij een motie heeft voorbereid die gebaseerd is op uitlatingen van Pvda-fractievoorzitter Wallage voor de tv. “Hij gaat veel verder dat zijn eigen fractiespecialist”, gnuift Poppe, die wel eens wil zien hoe de PvdA onder deze 'motie Wallage' uitkomt. 's Avonds komt Poppe in beeld tijdens de politieke actualiteitenrubriek Den Haag Vandaag: “We moeten vaststellen dat de PvdA zijn dappere keutel weer heeft ingetrokken.”

De “wel erg invloedrijke top” is volgens de politicoloog P. van der Steen in de komende jaren “een potentiële tijdbom” voor de SP. In het Jaarboek 1994 van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen schrijft Van der Steen dat “de dissonanten in de organisatiestructuur” op den duur ontevredenheid in de hand kunnen werken bij de achterban. Jan Marijnissen kent de kritiek: “We zijn allemaal democratisch gekozen, dus ik zie het probleem niet”.

In het fractieberaad gaat Marijnissen door naar een volgend onderwerp: “Wat doen we met de motie-Cornielje over de lump sum?” Poppe: “Die steunen we.” “Wie is die Cornielje eigenlijk”, zegt Marijnissen met een ondertoon van verwondering in zijn stem, “Moet ik die kennen?”