Soeharto's 'lang zal hij leven' voor Kohl

JAKARTA, 8 APRIL. President Soeharto ging deze week voor in een spontaan, in het Indonesisch gezongen 'lang zal hij leven' voor de jarige Helmut Kohl en was getuige van de ondertekening van twee supercontracten tussen Duitse en Indonesische firma's. Zijn aanwezigheid bij de opening van de Hannover Messe, in gezelschap van liefst vijf Indonesische ministers en een zware delegatie captains of industry, bezegelde de recente toenadering tussen deze economische reuzen van Europa en Zuidoost-Azië.

In hun jongste economische offensief in Indonesië moeten de Duitsers het, behalve van politieke connecties vooral hebben van hun financiering: leningen met een voor de Indonesische staatskas aantrekkelijke rente en, minder zichtbaar, voor de betrokken staatsdienaren aantrekkelijke kickbacks, die soms per order tientallen miljoen dollars zouden bedragen. Daarbij hebben met name Nederlandse bedrijven, die aan het thuisfront te maken hebben met scrupuleuzer ambtenaren, het nakijken.

Tijdens zijn zesdaagse bezoek aan Duitsland was Soeharto voortdurend in gezelschap van minister van onderzoek en technologie Bacharuddin Jusuf Habibie, onder zijn Duitse vrienden beter bekend als 'Der Rudi'. Habibie behaalde in 1960 de titel van luchtvaartingenieur aan de de Technische Hochschule in Aken en bracht het tot vice-president van het vliegtuigconcern Messerschmitt Bölkow-Blohm. Habibie speelt een sleutelrol bij driehoekstransacties tussen Duitse firma's, de Indonesische overheid en bedrijven van de presidentiële familie.

Behalve de Habibie-lobby beschikken de Duitsers over een tweede, ten minste zo effectief glijmiddel voor hun economische contacten met Indonesië, namelijk de uiterst soepele financieringsvoorwaarden. Duitsland is na Japan de grootste bilaterale donor van Indonesië en het leeuwedeel betreft financiële hulp. Het Nederlandse bedrijfsleven in Jakarta kijkt met onverholen naijver naar de ruimhartige ruggesteun die hun Duitse concurrenten krijgen uit Bonn. Het voelt zich op achterstand gezet door de gestrenge manier waarop Den Haag aanvragen voor dekking van de financieringskosten en het politieke risico van hun exporten naar Indonesië tegen het licht houdt van de geldende OESO-regels. Die regels verbieden zachte leningen in sectoren die 'commercieel levensvatbaar' zijn als een vorm van internationale concurrentievervalsing.

Nederlanders klagen dat andere Europese landen, niet alleen Duitsland, aanzienlijk soepeler omspringen met deze regels. “Nog vijf jaar en je kunt geen kapitaalgoedereen meer slijten aan de Indonesische overheid zonder adequate en concurrerende financieringsvoorwaarden”, verzucht een Nederlandse ondernemer. Hij prijst de Nederlandse ambtenarij als “betrouwbaar en bekwaam”, maar voegt eraan toe dat dit ten koste gaat van de “flexibiliteit en creativiteit”.

Het zogeheten 'Pronk-effect' - de weigering van Indonesië in 1992 om nog langer Nederlandse ontwikkelingshulp te accepteren - is in zoverre uitgewerkt dat Jakarta niet langer bezwaar maakt tegen een omleiding van ontwikkelingsgelden via Economische Zaken. Het werkt nog wel voorzover Pronk niet toestemt in een dergelijke omleiding. EZ beschikt over een zogenoemd 'matching fund', waaruit financieringskosten van exporten kunnen worden gedekt tot een bedrag van 10 miljoen gulden per project, mits de aanvrager kan aantonen dat de buitenlandse concurrentie wèl zachte staatsleningen aan zijn offerte hangt. Nederlandse ondernemers noemen dat een defensief instrument, dat hen dwingt achter de concurrentie aan te lopen. Een enkeling spreekt van “legale fraude”, omdat het bestaan van het matching-fonds overtreding van de OESO-regels door anderen veronderstelt.