Sluipwegen van wangedrag

Opeens moest ik weer denken aan mijn angstvisioenen uit de tijd dat mijn dochter verkeersles kreeg op school. Daar leerde zij dat als het licht op groen staat, je als fietser mag doorrijden en dat auto's die rechtsaf slaan voorrang moeten geven aan fietsers die rechtdoor gaan en meer van dat soort officiële verkeersregels. Ik wist dat zij ze zou geloven, net als de regels voor bijvoorbeeld rekenen en spellen, want wat je op school leert is nu eenmaal waar. En dat maakte me bang, want ik wist ook dat zij die regels vol vertrouwen zou toepassen in het verkeer. Daarom mocht zij van ons in de stad ook niet in haar eentje fietsen, want als fietser is het heel gevaarlijk te vertrouwen op verkeersregels, je moet handelen naar bevind van zaken, anders komen er ongelukken. Soms moet je dwars oversteken of links van de weg fietsen en zelfs wel eens op de stoep, om veilig thuis te komen. Daarom maakten we op woensdagmiddag wel eens samen stadse fietstochtjes, waarbij ik mijn dochter haar argeloosheid ontnam en enigszins streetwise probeerde te maken.

Ik herinnerde mij dit alles weer bij het lezen over de plannen van de Tweede Kamer om fietsers die van rechts komen net als voor de oorlog voorrang te geven op auto's van links. Gaan ze dat in de verkeersles dan ook weer aan kinderen leren, wetend dat tal van automobilisten zich daar niet aan zullen houden? Net zo min als ze zich in stad en dorp houden aan de nu bestaande verkeersregels die fietsers en voetgangers moeten beschermen. Ze doen wèl hun portier open zonder te kijken of er niet iemand aan komt. Ze zetten wèl hun auto op de fietsstrook. En minderen géén vaart als een fietser die voor hen rijdt naar links moet uitwijken voor zo'n geparkeerde auto. Een verstandige fietser gaat in zo'n geval dan ook voor de zekerheid rechts de stoep op, wat wel weer vervelend is voor wie daar loopt. Maar een voetganger kan voor een fietser toch altijd minder kwaad dan een auto die bijvoorbeeld tegen de regels in bij het afslaan géén voorrang geeft aan overstekers. Kortom, automobilisten, taxichauffeurs voorop, kunnen grotendeels hun gang gaan, want de pakkans is klein. Op zulk verkeer moet je kinderen voorbereiden. De verkeerslessen blijven theorie die weinig te maken heeft met de gevaarlijke, levensechte praktijk.

In de Amsterdamse binnenstad heeft men besloten een maximumsnelheid van dertig kilometer in te stellen. Waarschijnlijk zullen andere gemeenten wel volgen, maar het is een volstrekt zinloos plan, want nu houdt een groot percentage zich al niet aan de vijftig kilometer. Van Workum tot Waalre wordt in woonwijken te hard gereden. Ook op de Amsterdamse grachten, waar geen trottoirs zijn, kinderen vanuit hun voordeur vrijwel rechtstreeks op de rijbaan terechtkomen en fietsers die rijbaan met geparkeerde en rijdende autos moeten delen.

Op de grote weg zijn auto's onder mekaar en min of meer aan elkaar gewaagd. Ik ben niet tegen auto en niet voor autovrij, maar ik vind wel dat er bij het handhaven van regels, veel meer dan nu gebeurt, rekening mee moet worden gehouden dat in dorp en stad de automobilist in zijn stalen kooi geen evenwaardige partij is voor onbeschermd lopende en fietsende levende wezens.

Als er zo'n auto voorbij vliegt, dagdroom ik wel eens dat ik de bestuurder door een gebaar aan het schrikken maak, waardoor hij een onverhoedse beweging maakt en in zijn volle vaart tegen een lantaarnpaal, boom of geparkeerde auto terechtkomt. Voor even is dat een buitengewoon prettige opluchting, maar structureel levert het natuurlijk geen oplossing.

Mijn hoop is, zoals het hoort, op de politie gevestigd, die immers sinds enige tijd de straat op moet. Tot op heden heeft dat voor hardrijders echter nog weinig effect. Men loopt daar nu wel, gezellig twee aan twee, vaak mannetje en vrouwtje. Men bekijkt kuierend de etalages, loopt eens een broodjeswinkel binnen, zegt iets vriendelijks tegen de bloemenman, wisselt meningen uit over een televisieprogramma van de vorige avond, maar het nummer van een voorbijscheurende auto noteren, ho maar.

De politie vindt zulke overtredingen trouwens ook heel gewoon. Dat blijkt wel uit haar reactie op het plan om ten bate van die dertig-kilometer regel verkeersdrempels aan te brengen. “De politie vreest voor geluidsoverlast”, stond in de krant en ze willen liever bloembakken. In het kader van hun wandelingetjes een te begrijpen wens, want aangenaam voor het oog. Maar verkeersdrempels veroorzaken alleen lawaai als je er te hard overheen rijdt.

En inderdaad, dat gebeurt heel vaak. “Daar heb je er weer één”, zeggen mijn zusje en zwager regelmatig tegen elkaar na zo'n klap van staal op steen. Zij wonen in een dorp aan een straatweg, die als sluipweg fungeert en daarom drempels heeft gekregen. Zo één, daar bedoelen ze een lease-auto mee, want wie daarin rijdt hoeft niet zuinig te zijn op zijn auto. En omdat er steeds meer lease-auto's komen, hebben drempels steeds minder zin en de politie legt zich daar dus bij voorbaat al bij neer.

Overigens, en dit geheel terzijde, klagen zij niet over de geluidsoverlast. Zulk welvaartsgezeur past niet bij hen. Ik bedoel, stel, ik woon in de buurt van een ziekenhuis. Op het dak daarvan staat een helikopter vol medische apparatuur die snel ter plaatse kan zijn als ergens een ongeluk gebeurt. Mensen die anders dood zouden gaan, kunnen soms worden gered. Bij gewonden kan de ernst van het letsel soms worden beperkt. Alle andere landen in Europa hebben al zo'n reddingssysteem. God geve toch dat ik, als ik de helikopter op hoor stijgen, denk: “Wat vreselijk, weer een ernstig ongeluk” en niet: “Wat vreselijk, die teringherrie”. Maar er schijnen mensen te zijn die dat laatste wel denken en zich daarom verenigen in een actiegroep om de helikopter weg te krijgen. Dat is pas vreselijk, bijna zo erg als te hard door woonwijken rijden.