Slordige Zwijger

BERNARD QUILLIET: Guillaume le Taciturne

654 blz., Fayard 1994, ƒ 68.-

De Franse geschiedschrijving geniet wereldfaam om de vele kritische en bijzondere werken die zijn voortgekomen uit de school rond het beroemde tijdschrift van de Annales. Tegelijkertijd blijft er een oudere traditie levend, die van de literair geschreven, maar wetenschappelijk verantwoorde, historische biografie. Uitgeverij Fayard te Parijs brengt sinds jaar en dag een serie uit van inmiddels honderdvijftig delen, alle van aanzienlijke omvang, zonder illustraties of voetnoten. De levensbeschrijvingen moeten dus worden gedragen door het betoog alleen. Van die honderdvijftig delen is er geen enkele aan Noordnederlanders gewijd. Wel zijn er biografieën die betrekking hebben op personen in de Nederlanden in de ruime betekenis, van Karel de Stoute, Maria van Bourgondië en Erasmus. In deze belangstelling past ook het onlangs verschenen deel over Willem van Oranje.

Op het eerste gezicht heeft Bernard Quilliet met zijn Guillaume le Taciturne een vertrouwenwekkende biografie geschreven. Gezien de grote hoeveelheid gedrukte bronnen, is het te verontschuldigen dat zijn eigen archiefonderzoek beperkt is gebleven. Dat hij geen Nederlands leest, is minder vergeeflijk, maar och, het merendeel van de bronnen is toch in het Frans geschreven. En anders moeten de Nederlanders maar eens boeken schrijven die de moeite van een Franse vertaling waard zijn, nietwaar?

Bij nader toezien blijkt de schrijver echter in de keuze van zijn literatuur wel erg op het Frans georiënteerd te zijn. Weliswaar vermeldt de literatuuropgave Nederlandse titels (vol fouten), evenals Duitse, Engelse, Spaanse en Italiaanse, maar in de hoofdtekst is hier nauwelijks iets van terug te vinden. Het werk van een Geoffrey Parker, gebaseerd op ook Spaanse en Nederlandse archieven, blijkt geen enkele invloed op de auteur gehad te hebben. De werken die wel met enige regelmaat worden geciteerd, zijn vrijwel alle van oudere datum: de Franse vertaling uit 1947 van de biografie door de Engelse Dame C.V. Wedgwood en de biografieën van de Franstalige Belgen Roger Avermaete (1939) en Denis Marion (1963) en van de Fransman Yves Cazaux (1970), evenmin mijlpalen in het onderzoek naar het leven van Oranje. Maar meestal verwijst de auteur naar anoniem gehouden 'Belgische historici'. Daar is op zichzelf niets tegen, want juist de Belgische historiografische produktie op het gebied van de zestiende eeuw is buitengewoon rijk, en wordt door Nederlandse historici tamelijk veronachtzaamd.

De schrijver heeft het zich echter gemakkelijk gemaakt en verzuimd om zijn informanten tegen het licht te houden, waardoor zijn boek wemelt van de geografische en historische onjuistheden en verschrijvingen. De bezittingen van Oranje somt hij op aan de hand van een Franse biografie van De la Pise uit 1639 (!), met alle fouten vandien: Sankt Martensdick in Holland, Lingen in Friesland etc., het zal de auteur worst wezen. Boven de Rijn moet hij nooit zijn geweest: die gebieden worden volgens hem globaal aangeduid met 'le pays de Geest', een verwarring met de geestgronden misschien, of is het Sticht Utrecht bedoeld?. Deze streken zijn triest en koud en doen aan Brandenburg of het verre Mazoerenland denken!

Naar de geschiedenis ten noorden van de rivieren slaat hij maar een slag, waarvan een enkel voorbeeld: Zelfs op zee of langs de kusten leden Oranjes partijgangers soms nederlagen: in december 1570 nam een van zijn betere zeelieden, kapitein Herman de Ruyter, bij verrassing het slot Loewenstein, op de samenvloeiing van de Maas en de Rijn. Daarna waagde hij een aanslag op Deventer, maar faalde en viel in handen van de vijand. Dat zijn zeven vergissingen in één fragment. De enkele keer dat de auteur een Nederlands woord laat vallen, gaat het prompt verkeerd: beeldstorm, bloeraad, Willemuslied, gecomponeerd volgens de auteur door Loyseleur de Villiers, zonder nadere toelichting. Een Nederlandstalige meelezer had hier veel onnodige fouten kunnen voorkomen.

Had de auteur zijn werk van noten moeten voorzien, dan schat ik dat hij in driekwart van de gevallen zou verwijzen naar merendeels verouderde, Belgische Franstalige literatuur. De Justificatie van Oranje uit 1568 karakteriseert de auteur alleen met een lang citaat uit de inleiding van de bezorger uit 1858! Zodra een kwestie ter discussie staat, citeert hij verschillende gezichtspunten, maar voegt er geen eigen conclusie aan toe. Je zou het nog een verdienste kunnen noemen dat dit bijeenschrijven tot een goed einde is gebracht en dat voor het eerst in lange tijd weer eens een uitvoerige biografie van Oranje voorhanden is. Maar men hoeft in dit werk niets nieuws of bijzonders te verwachten.

Niettegenstaande kritische opmerkingen tegen verheerlijkers van de prins, is ook Quilliet een groot bewonderaar van Oranje. Vrij van de Nederlandse neiging om figuren uit het eigen verleden omlaag te halen, vergelijkt hij de prins bijvoorbeeld met Talleyrand, Metternich en Wellington. Op de laatste pagina eindigt Oranje als 'de wijze van Delft'. Toch stelt ook deze auteur regelmatig de zaken mooier voor dan ze waren, bijvoorbeeld door te beweren dat Oranje zich niet met sluipmoord inliet, wat aantoonbaar onjuist is. Door Quilliets veronachtzaming van de modernere onderzoeksresultaten zijn bijna alle andere figuren tot karikaturen verworden: niet alleen Viglius en de meeste edelen, ook Granvelle en Filips II zelf.

Hopeloos ouderwets zou het boek om de bewonderende toon wel wat zijn voor een traditionele Nederlandse uitgeverij, maar de talloze vergissingen maken een bewerking noodzakelijk. Waarmee het boek veroordeeld is, evenals alle eerdere Franse Oranjebiografieën, tot het Franse publiek beperkt te blijven. Het is een teleurstellend voorbeeld hoe ook in deze moderne tijd twee wetenschappelijke werelden volkomen langs elkaar heen kunnen werken.