Sla ze met liefde

Hoe bestraft u een kind? Meer in het bijzonder: deelt U wel eens een tik uit, en helpt dat? Deze oproep van vorige week, mede bedoeld om te achterhalen of de zeden en gewoonten sinds de jaren zestig veranderd zijn, leverde een fragmentarisch beeld op. Er kwamen zevenentwintig brieven binnen, waarvan de kortste als volgt luidde: “Het is met het straffen van kinderen net als met vloeken: als je het doet ben je eigenlijk te laat met ingrijpen en heb je verloren (vooral van jezelf). Dan wordt opvoeden af-richten” (Theo Voors, Bilthoven). Veel berichten van het huiskamerfront: anecdotes over zoons en dochters die mokkend of boos op de gang (de trap, de keuken, de eigen kamer) de verloren machtsstrijd met het ouderlijk gezag moesten uitzitten. Er waren praktische tips, bijvoorbeeld van Biki van Leeuwen, Oisterwijk: “Voldoende nachtrust, vooral ook voor moeder, is een vereiste om de dag zonder - overdreven - straffen door te komen.” Lily Kloots-Touwen: “In plaats van slaan: de stoute kinderen de rug toekeren, met de woorden: met zulke mensen wil ik niet omgaan, hoor. Of zelf van tafel gaan met je bord, en ergens anders gaan eten”. Ook populair: de 'vijf-minuten-verbanning', de 'kieteldood', 'gewoon een knuffel' dan wel 'dreigen met billenkoek: Klets, Klats, Klandere, van de ene bil op de andere, vergezeld van de bijbehorende gebaren in de lucht'. Volgens L. Breur-van Eijk kraaiden haar stoute kinderen dan van plezier en waren ze geheel afgeleid.

De boekebonnen werden toegekend aan

C. Bos, J. Smid-Meijer en

I. Hendrikse.Parasieten

Het krijgen van een kind heeft veel weg van het mee naar huis nemen van een verdwaalde toerist. Je weet niet wie je in huis haalt. De tijd besteed aan de verzorging is aanvankelijk heel lonend - kijk hem eens opknappen. Maar de toerist blijft langer. In de loop der jaren wordt het steeds meer 'damage control'. Het gaat gepaard met het kopen van literatuur waarin uitgelegd wordt hoe je het best kunt opvoeden. Gaat de toerist zich beter gedragen, krijgt hij meer succes? Neen, hij gaat na twintig jaar weer weg.

Als ouder van twee gewone kinderen hak ik al jaren met het opvoedingsbijltje. In die jaren heb ik veel gesprekken over opvoeding gehad met andere ouders. Je kunt welbedoelende ouders opdelen in twee groepen. De ene groep probeert een bepaald voorstaand ideaal te verwezenlijken. Het leven is een schouwtoneel waarin de jonge genietjes de hoofrol krijgen te spelen. De twijfels, ingegeven door de kinderen zelf, worden weggenomen door een zekere leer.

De andere groep kijkt eerst even aan wat voor vlees ze in de kuip heeft en probeert er het beste van te maken. Voor hen is het leven een wilde zee van verrassingen, waarin de kinderen als parasieten vasthouden aan hun gastheer tot ze volgelurkt en vetgemest zelfstandig kunnen blijven drijven. Zo zal de eerste groep ouders een leer aanhangen totdat die niet meer werkt, daarna naarstig op zoek gaan in opvoedingsboeken naar een andere leer, meer passend in de leeftijdsgroep van de jeugd en het heersend modebeeld. Deze ouders vallen op omdat ze zo geleerd over hun kinderen kunnen praten.

De tweede groep is volkomen verbaasd door het gedrag van hun nazaten en gaat bij boeken en andere ouders te raad om hulp. Ze hebben geen idee wat hen overkomt. Ook deze ouders vinden antwoorden in de opvoedingsboeken, meestal achteraf. Voor alle ouders geldt dat ze hun best doen, naar omstandigheden. Er is een grote behoefte aan informatie over wat te doen bij huisgenoten die niet doen wat men wil.

Mijn ervaring is dat af en toe een tik op de billen de lucht flink klaart. Jazeker, de kinderen vragen er soms echt om. Aframmelingen daarentegen voorkom ik. Ik hoef hier niet uit te leggen dat er sprake is van een machtsverhouding tussen ouders en kinderen. Een aframmeling door de machthebber is geen effectieve boodschap aan een ondergeschikte. De superieur leeft zijn frustratie uit, maar de ondergeschikte wordt er niet wijzer van. De machthebber heeft alleen gezegd dat hij de macht heeft. Hij heeft dan gefaald.Ouders proberen dan eens dit, en dan eens dat. Als het werkt doen ze het vaker, als het niet werkt niet. Raadpleegde men vroeger de grootouders, tantes en vriendinnen, nu is die voorziening overgenomen door de psycholoog/ broodschrijver. Men wordt er net zoveel wijzer van. We gaan niet vooruit, alleen heen en weer... naar de boekhandel. Voortplanting bij de mens is vooral goed voor de boekindustrie.

Claudia Bos, NoordwijkPuberen

“Hoe was het vandaag op school”

“Hm. Zij weet 't nog niet.”

“Wat weet zij niet?

“Of ze op me is”. Hij laat zijn hoofd hangen en wriemelt aan een koekje.

“O, maar ik bedoel, hoe het met de rest ging, hoe ging je repeptitie?

“Stomme vragen, maar ik kon wat vragen aan Chantal. Die zit voor de tweede keer en is zo stom.

“Had je daar dan wat aan?

“Best wel.”

“Dus jij was nog stommer?”

“God, wat is ze weer geestig vandaag... heb je een rothumeur?”

“Helemaal niet, wil je thee?”

“Liever wat kouds. Heb je chocomel?”

“Nee, drink maar thee, waarom moet je altijd om iets anders vragen? Ik heb nu thee.”

“Jezus, doe niet zo stom, je hebt echt een rothumeur.”

“Toe nou, neem thee, koekjes, ik heb geen rothumeur?”

“Je haar zit zo stom, je lijkt wel een Belg.” Hij grinnikt om zijn eigen grap. “Goh, wat zit jouw haar stom zeg!” Hij krijgt er echt plezier in en lacht hard, de baard in de keel-lach.

Twaalf jaar, sinds september op het gymnasium. De hormonen in zijn lijf zijn wakker en hij draaft met nog 60 soortgenoten achter dat ene leuke meisje aan. Boze ogen en een pukkeltje op zijn wang, waar het hele huis van op z'n kop stond. Waar is het jongetje van drie maanden geleden gebleven? Ik vind hem poepvervelend, probeer wanhopig de gezelligheid van het theelichtje vast te houden. “Zal ik je straks overhoren? Wat moet je doen voor morgen?”

“Waarom moet je altijd weten wat ik moet doen? Je wilt zeker in m'n agenda kijken, he?”

“Bijvoorbeeld, laat maar zien.”

“Ik vind je zo vervelend, je bent zo irritant en je haar zit echt zo belachelijk, ik vind alles...KUT.”

Uitdagend kijkt hij me vanonder de stijve gelkuif aan, zijn voeten schuiven nog wat verder op de stoel. Hij ligt nu aan tafel met zijn handen in zijn zakken. “Die thee hoef ik ook niet, altijd maar thee, God, wat zie jij er raar uit met dat haar.”

Langzaam beginnen mijn handen te jeuken. Ik zou hem zo een flèr willen geven, wat denkt ie wel. Ik doe toch mijn best. Ik beheers me, niet opgeven, laat hem niet wegglippen.

“Waarom zit mijn haar stom?”

“Haha, moet je eens in de spiegel kijken.”

“Zeg, je hoeft niet zo onaardig tegen me te doen, doe ik tegen jou toch ook niet? Doe 'ns gewoon!”

“Tegen jou zeker, gewoon, gewoon, gewoon thee, gewoon aardig.”

“Ik waarschuw je, ik word boos.”

“Je had toch al een rothumeur, heb ik het zeker weer gedaan.”

“O, laten we het alsjeblieft gezellig houden.”

“Met jou en je rare haar zeker, en je thee en je gezeur.”

Nu tel ik tot vijf, denk na, vluchtig, razend, hij heeft het best moeilijk, dat lijf dat anders wordt, andere school, concurrentie, grote broer uit huis. Toch vind ik dit misselijk van hem. Nog een keer proberen, met redelijkheid en rust. “Kan je me vertellen waarom je zo rot tegen me doet? Is dat nodig, geniet je ervan? Ga je huiswerk maar maken en kom over een uurtje met een beter humeur terug, toe nou, doe niet zo...”

Hij werpt zijn lijf in verticale stand, kijkt me minachtend aan en schampert:

“Kutwijf, je denkt toch niet dat...” De zin kan hij niet afmaken. Mijn hand vliegt over de theepot en raakt hem met een venijnige pets op z'n linkerwang, ik pik dit niet langer. “Zo nu is het uit, ben je helemaal belazerd, rotjongetje.”

Hij schrikt, ik ook, en gaat zitten, armen op tafel en het gel-hoofd er bovenop. Ik wacht ademloos op een snik of zoiets. Ondertussen bespringt mij schuldgevoel, dat ik wegduw. Hij was vervelend, hij vroeg er toch om? Een beetje onzeker wacht ik af, draai me om naar het aanrecht. Hij staat op en wil de keuken verlaten. “Hoho, meneertje, eerst excuses, dan pas mag je gaan.”

Echt oorlog nu. Ik verdien dit niet, al is ie honderd keer aan het puberen. Hij moet aardig blijven, straks is helemaal het hek van de dam. Uit mijn ooghoek zie ik hem tegen de keukenkastjes hangen, hoofd omlaag. De tijd kruipt weg met het tikken van de keukenklok. Ik schil, om drie uur, alvast een aardappel. Achter me, hoor ik wat geschuifel, richting deur. “Hé..” Hij kijkt me aan, de afdruk van mijn hand op z'n wang. “Sorry mam,” en weg is ie.

Twee uur later hoor ik hem zingen, hij dekt de tafel, zegt dat het eten lekker is en voordat ie naar bed gaat 'mag' ik hem overhoren. Mijn haar schijnt goed te zitten en meneer is weer onder de mensen. “Wek je me om half zeven? Kan ik nog even Latijn nakijken, trusten mams.”

Nog nooit was ik zo langzaam tot een tik ter bestraffing gekomen. Bij nader inzien was het ook de laatste tik die ik uitdeelde. Toen de kinderen nog klein waren gaf ik, al of niet na een waarschuwing, wel eens een tik. Dat hielp uitstekend. Op een gegeven moment is je kind te groot voor die terechtwijzing. Rede en argumenten of - ik wil niet dat je dat doet, daarmee uit - losten vele problemen op. Bij het bestraffen, terechtwijzen van een kind door een 'flèr', zo heette dat, moet ik altijd denken aan de dieren. Het jong doet iets wat het moederdier niet aanstaat. Zij gromt een paar keer, het jong trekt zich even terug. Begint vervolgens opnieuw. Het moederdier haalt ferm uit en het jong druipt piepend af. De volgende keer past het wel op. De lijfelijke terechtwijzing is een overblijfsel uit de oertijd. Woordeloos, niet altijd machteloos, wel doeltreffend. Zo zijn er meer. sommige van deze oerrestanten worden uit den treure gecultiveerd (bijvoorbeeld sex), anderen moeten verbannen worden. Spock zegt dat het niet zo erg is, die tik. Leach weert de tik. Dan weer zus, dan weer zo. Dieren doen altijd hetzelfde, maar kennen geen excessen in hun gedrag. Mensen helaas wel. Excessief gedrag dient geweerd te worden. Doch: een tik op zijn tijd behoudt vreugde en gezelligheid.

J.S. Smid-Meijer, RotterdamEentje

Ik probeer niet te slaan. Dat lukt me aardig.

Ik probeer niet met woorden te kwetsen. Dat lukt me iets minder goed.

Ik probeer niet op het moment van woede maar iets afgekoeld bepaalde zaken aan de orde te stellen.

Ik probeer, ook al vind ik dat ik terecht kwaad ben (geweest), na afloop toch zo objectief mogelijk de andere partij aan te horen.

Ik probeer niet alsmaar tot de bodem uit te zoeken wie van de vier iets gedaan heeft, maar meer in het algemeen te stellen, dat ik ergens niet van gediend ben.

Ik probeer ze te laten opdraaien voor de gevolgen van wat ze doen.

Ik probeer niet steeds voor mezelf goed te praten wat ze nalaten.

Kortom ik probeer en soms lukt het en soms niet.

Wat je ook probeert, kinderen zien vaak beter wat je echt van hun daden vindt dan jij zelf, uit opvoedkundig oogpunt misschien , wilt laten merken.

Toen mijn oudste zoon, toen vijf, mij een keer iets wilde vertellen, wat hij op school gedaan had, zei hij erbij: maar dan moet jij geen 'oh!' zeggen!

Tenslotte: kinderen opvoeden in je eentje valt niet mee, maar lukt nog wel. Opvoeden met zijn tweeën, dat is pas erg!

I. Hendrikse, Drunen

Zaterdags Peil stelt de lezers om de week een vraag, waarop via postbus 8987, 3009 TH Rotterdam, of voor PC-gebruikers per e-mail via Internet op zpeil@nrc.nl, gereageerd kan worden.