Oost-Europa Bank geurt nog naar luxe

ROTTERDAM, 8 APRIL. Bij de European Bank for Reconstruction en Development (EBRD) zoals de Oost-Europabank voluit heet, heeft het gekibbel over geldverspilling plaatsgemaakt voor een debat over de uitbreiding van de gelden. Het roze marmer, de dure vliegreizen en de exquise diners bestaan nog voornamelijk in de herinnering. Bij de jaarvergadering die maandag begint staat op de agenda als belangrijkste punt de vergroting van het kapitaal, waarover de deelnemende landen naar verwachting een harde strijd zullen voeren.

De EBRD, die in 1991 is opgericht om de overgang naar een markteconomie in Oost-Europa te ondersteunen, verwacht de komende jaren meer geld nodig te hebben om projecten te financieren. Met een eigen vermogen van 10 miljard ecu (21 miljard gulden) kan de bank nu op de kapitaalmarkt ongeveer hetzelfde bedrag aantrekken. Dat lijkt voorlopig genoeg, gezien het bedrag van 2 miljard ecu dat de bank in totaal aan leningen heeft toegezegd. De bank verwacht echter een versnelde vraag naar kapitaal nu de ontwikkeling van de economieën in Oost-Europa goed op gang begint te komen.

De 57 aandeelhouders, van wie een aantal dit weekeinde in Versaille was bij een bijeenkomst van de Europese Unie (EU) over de monetaire eenwording, zijn echter verdeeld. De sterkste voorstanders van een vergroting van de kredietmogelijkheden zijn de Oosteuropese landen zelf. De belangrijkste tegenstander is naar verwachting de Verenigde Staten, die met een belang van 10 procent ook de belangrijkste aandeelhouder zijn. De Amerikaanse regering staat voor de lastige taak om aan het door de Republikeinen gedomineerde Congres uit te leggen waarom meer belastinggeld moet worden besteed aan een afgelegen regio. Zelfs tijdens de financiële crisis in Mexico, dat toch in de achtertuin van de VS ligt, moest president Clinton een kunstgreep toepassen om Amerikaans geld te kunnen uitlenen.

De Europese landen, waaronder Nederland (aandeel 2,48 procent) dat wordt vertegenwoordigd door minister Zalm van financiën, zijn gematigd positief over een uitbreiding van de EBRD. Voorwaarde voor de Nederlandse - en Europese - steun is wel dat de EBRD bewijst een toegevoegde waarde te leveren, die andere instellingen zoals de Wereldbank niet hebben. De EBRD heeft daarvoor nog wel even tijd, want de definitieve beslissing valt naar verwachting begin volgend jaar. Bij de jaarvergadering van 1996 moet volgens de statuten de kapitaalsstructuur opnieuw worden bekeken. De vergadering van maandag en dinsdag vormt dan dan ook vooral het toneel voor de eerste ronde van een reeks schermutselingen.

De perikelen illustreren wel dat het debat over de waarde van de EBRD een veel fundamenteler karakter heeft gekregen. De Fransman Jacques Attali was twee jaar geleden gedwongen af te treden als bankpresident na verhalen over buitensporige uitgaven, die vooral in de Britse pers breed werden uitgemeten. Zijn opvolger, Jacques de Larosière, en diens rechterhand, de Amerikaan Ron Freeman, hebben de geloofwaardigheid van de bank weten te herwinnen door een krachtige interne reorganisatie. In hun voordeel werkt ook dat de niet al te ambitieuze doelstellingen die vorig jaar in Sint Petersburg werden vastgelegd, ook zijn gehaald: het percentage leningen voor de particuliere sector ligt een fractie boven de afgesproken 60, de projecten zijn verspreid over meer landen, meer lokale ondernemingen kregen steun en het aantal deelnemingen in plaats van leningen nam verhoudingsgewijs toe.

De geur van geldverspilling is echter nog niet helemaal verdwenen bij de bank. Ondanks de bezuinigingen bedragen de kosten voor de staf nog altijd 12 procent van het totaal, vier keer zo veel als bij een vergelijkbare instelling als de Wereldbank. Hoewel de aanloopkosten voor een bank-in-opbouw altijd hoog zijn, nemen de bestuurders niet helemaal genoegen met deze verklaring. Bovendien moet sinds 1 januari 1995 elk jaar een bedrag van 14,7 miljoen pond sterling aan huurpenningen worden opgebracht voor het nog altijd luxueuze kantoor.

Bij de vergadering komen waarschijnlijk drie voorstellen op tafel om verder op de kosten te besparen. De grote landen zoals de VS en Japan willen het liefst het aantal zetels verkleinen in de bestuursraad, waarin de EU en de regeringen van de Westeuropese en Oosteuropese landen, de Verenigde Staten, Japan en Canada zijn vertegenwoordigd. Kleinere landen zoals Nederland voelen daar niets voor, omdat de bank daarmee in feite in handen zou komen van de G-7, de zeven economisch belangrijkste landen ter wereld. De kleinere Europese landen zien het liefst dat de EBRD naar het model van de Europese Investeringsbank (EIB) een heel kleine vertegenwoordiging krijgt, waar bestuurders eens in de zoveel tijd bijeenkomen voor een vergadering. Hoewel De Larosière naar verluidt daar niet onwelwillend tegenover staat, wil Groot-Brittannië de prestigieuze bank niet kwijt, en wordt het land daarin gesteund door Frankrijk en Duitsland.

Hoogstwaarschijnlijk wordt gekozen voor een kaassschaafmethode, waarbij bijvoorbeeld van elk deelnemend land het aantal medewerkers wordt teruggebracht van vier naar twee. Hoewel deze mogelijkheid de personeelskosten niet heel erg veel vermindert (tot 9 procent), krijgt dit compromisvoorstel binnen de EU de meeste steun. Ook van Nederland - zij het dat Zalm erop zal aandringen dat de behuizing nog eens goed wordt bekeken. De directie van de bank is tot genoegen van Nederland al op zoek naar een goedkoper kantoor in Londen. Mocht de EBRD het huidige kantoor verlaten, dan zijn ook de herinneringen aan de dagen van de flamboyante Attali uitgewist.