Omroep en identiteit

“Omroepen moeten zich nu verantwoorden voor hun bestaan”, schrijft Gerard Hulshof terecht (NRC Handelsblad, 31 maart). En hij doet een poging.

Het recht op een zendmachtiging ontlenen de omroepen aan hun leden, stelt hij; en zij kunnen invloed uitoefenen. Klinkt aardig. Maar hij weet ook wel dat het hier gaat om een van die door de omroepen ingestoken oneerlijkheden in de wetgeving. Abonnees op het programmablad worden officieel beschouwd als lid - tenzij ze nadrukkelijk verklaren dat niet te willen, maar dat is het grote geheim van 'Hilversum' gebleven.

Al in 1976 bleek dat bijna de helft van de abonnees op een programmablad zich geen lid maar slechts abonnee voelde - voor de KRO was dat 49 procent. Hulshof heeft de ontwikkelingen in de maatschappij gevolgd en weet dat de neiging om tot een 'zuilen'club te behoren sindsdien alleen maar is afgenomen. Meer recente gegevens over de 'omroeptrouw' kan ik hem niet verschaffen; de bevindingen op dat punt uit 1989 zijn - veelzeggend - “strikt geheim”. Dat abonnees op een programmablad invloed op het beleid zouden kunnen, of willen, uitoefenen was ten tijde van de invoering van de wetswijziging al een lachertje. Hoezo dan “maatschappelijk draagvlak”? Als gevolg van de erkenning door een door de omroep omarmde stroming, misschien? Die stromingen uit de wet waren nooit meer dan vlagen gebakken lucht. En dat omroepen daardoor erkend moesten worden was, duidelijk uitgesproken, niet de bedoeling.