Nucleaire dwergen maken zich breed

MARIANNE VAN LEEUWEN (red): The Future of the International Nuclear Non-Proliferation Regime

326 blz., Martinus Nijhoff Publishers 1995, ƒ 140,-

Na het einde van de Koude Oorlog bestond de vrees dat het einde van de wereldwijde, relatief stabiele bipolariteit tussen Oost en West zou leiden tot een snelle uitbreiding van het aantal staten met kernwapens. De beschermende atoomparaplu was ingeklapt en de speculaties staken de kop op dat veel landen nu zelf een eigen nucleaire verdediging zouden willen fabriceren.

Die vrees is tot dusver niet bewaarheid. De afgelopen jaren waren er zelfs omgekeerde tendensen te bespeuren. De landen van Latijns Amerika sloten het verdrag van Tlatelolco, dat van de regio een kernwapenvrij gebied maakt. Zowel Argentinië als Brazilië heeft afgezien van zijn aanvankelijke militaire nucleaire ambities. Zuid-Afrika heeft in het kader van de omwenteling zijn programma voor de ontwikkeling van een kernwapen opgegeven en zich aangesloten bij het Nonproliferatieverdrag (NPV) tegen de verspreiding van kernwapens. In Afrika wordt gewerkt aan een verdrag over een regio zonder kernwapens. De relatie tussen India en Pakistan, twee 'drempellanden' (landen met het vermogen om op korte termijn over een kernmacht te beschikken), is na de Koude Oorlog niet verder genucleariseerd, ondanks nog altijd bestaande tegenstellingen, zoals het geschil over Kashmir. Alle nieuwe staten die op het grondgebied van de Sovjet-Unie zijn ontstaan, hebben afgezien van een status als zelfstandig kernwapenbezitter. Zelfs de Oekraïne, het land dat na Rusland de meeste Sovjet-kernwapens op zijn grondgebied had staan, is inmiddels na lang aarzelen en tegenstribbelen als land zonder kernwapens toegetreden tot het verdrag. Hoopvol stemt ook dat het aan het einde van de Koude Oorlog ingezette proces van nucleaire ontwapening van de twee grootste mogendheden nog altijd voortgaat. Kernwapens voor de korte en middellange afstand werden uit Europa verwijderd en inmiddels zijn twee akkoorden gesloten over reductie van de aantallen strategische kernwapens, START 1 en START 2. Die verdragen betekenen een reële reductie van de aantallen kernwapens. Na het jaar 2000 zullen Rusland en de VS, als alles volgens plan verloopt, elk niet meer dan 3500 stuks hebben.

Maar daarmee is de kou niet uit de lucht. Het grote gevaar ligt nu bij kleinere landen die hun politieke ambities met nucleaire middelen kracht willen bijzetten. De pogingen om nucleaire stoffen of kennis naar dergelijke landen toe te smokkelen onderstrepen dat risico. Na de Golfoorlog werd duidelijk dat Irak, ondanks het feit dat dit land lid was van het Nonproliferatieverdrag, in het grootste geheim en buiten het zicht van de inspecteurs van het Internationale Atoombureau in Wenen, toch werkte aan een nucleair militair programma. Het Internationaal Atoombureau is terecht gekritiseerd voor de kennelijk niet effectieve controle.

Inmiddels hebben de Verenigde Staten afspraken proberen te maken met Noord-Korea over maatregelen die moeten voorkomen dat dit land ongecontroleerd verder gaat met zijn nucleaire programma. Helemaal zonder strubbelingen verloopt dit overleg niet en het gevaar bestaat dat Noord-Korea zich de komende jaren ontwikkelt tot een land met een eigen kernmacht.

Marianne van Leeuwen, onderzoeksmedewerker van het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen 'Clingendael', heeft samen met een aantal, voor het merendeel buitenlandse, deskundigen de belangrijkste problemen op het terrein van de verspreiding van kernwapens geïnventariseerd. Aanleiding voor deze publikatie is de conferentie die op 17 april in New York begint over verlenging van het uit 1970 daterende Nonproliferatieverdrag.

Het streven van de meeste Westelijke landen, als ook van bijvoorbeeld Rusland, is erop gericht het NPV, dat voor 25 jaar werd aangegaan, nu voor onbepaalde tijd te verlengen. Ook de meeste auteurs denken in die richting, al onderkennen ze de bezwaren daartegen. Minister Van Mierlo van buitenlandse zaken verklaarde bij de presentatie van het boek, waarvoor hij op de dag van de verkiezingen voor de Provinciale Staten nog net zeven minuten wist te vinden, dat hij bij zijn contacten met ambtgenoten daarop steeds aandringt. “Dat is een goede gewoonte geworden. Waar mogelijk oefenen we druk uit op landen om akkoord te gaan met ongelimiteerde verlenging. Dat is zo afgesproken door de Westerse landen”, aldus de minister.

Toch is het de vraag of een verlenging voor onbepaalde tijd haalbaar is. Vooral in veel Derde-Wereldlanden, maar ook daarbuiten, bijt het discriminatoire karakter van het verdrag. De have's blijven bezitters en hoeven hun nucleair materieel niet te laten inspecteren, de have-not's beloven dan tot in eeuwigheid van kernwapens af te zien en moeten bovendien hun installaties en splijtstoffen voortdurend aan inspectie laten onderwerpen.

Een van de voortrekkers van de have-not's is Egypte. Dat land, dat de verlenging van het NPV probeert te gebruiken als hefboom tegen het nucleaire potentieel van Israel, heeft al te kennen gegeven in elk geval tegen een verlenging voor onbepaalde tijd te zijn.

Tijdens de toetsingsconferentie van 1990 drong het al aan op expliciete veiligheidsgaranties van de kant van de kernwapenmogendheden. Het is op dit terrein dat de vijf groten, de Verenigde Staten, Rusland, China, Groot-Brittannië en Frankrijk, momenteel concessies in het vooruitzicht stellen. Een deel van het boek is gewijd aan de vorm die deze garanties zouden kunnen krijgen. Daarbij zou de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties een belangrijke rol moeten spelen.

Een grote politieke hinderpaal voor de verlenging van het NPV is het nog altijd ontbreken van een wereldwijd kernstop-verdrag. Het Tweede-Kamerlid Jan Hoekema (D66) wijst op de afnemende noodzaak van kernproeven. Officiële beëindiging ervan zou kunnen bijdragen tot een 'positieve atmosfeer' bij de onderhandelingen over de verlenging. Omdat kernwapens een symbolische functie hebben als uitdrukking van de machtspositie van de kernwapenstaten, dragen kernwapenreducties en stopzetting van kernproeven bij aan een verzachting van het verschil tussen de have's en de have-not's, aldus Hoekema.

Verder bevat het boek soms breedsprakige, soms compacte overzichten van de nucleaire situatie in landen als Noord-Korea, India en Pakistan, Israel, Irak etc. alsmede tal van aanbevelingen voor een effectievere controle op splijtstoffen.

De invalshoek van alle bijdragen is niet innoverend, eerder behoudend. Voorop staat de grote betekenis die het NPV tot dusver heeft gehad, bij alle gebreken die eraan zitten. Verbetering van de veiligheidsvoorzieningen achten de samenstellers het best verzekerd door behoud van het bestaande verdrag. Dat kan bijvoorbeeld uitgebouwd worden door middel van regionale nucleaire afspraken. Voorstellen voor een beperkte verlenging van het verdrag voor bijvoorbeeld vijf of tien jaar, zodat daarmee tijdsdruk wordt gecreëerd voor het ontwerpen van een nieuw, minder discriminatoir beveiligingsstelsel, ontbreken. “Verlenging op een andere dan een permanente basis zou het begin van het einde van het NPV betekenen.” In de internationale politiek, waar zoveel op het spel staat en waar het wijzigen van verdragen eindeloos veel voeten in de aarde heeft, is dat geen aangename maar een niettemin onvermijdelijke keuze.