Naties als produkten van de geest

HAGEN SCHULZE: Staat und Nation in der europäischen Geschichte

376 blz., C.H. Beck 1994, ƒ 65,60

Zelfs de onoplettende lezer van dit boekenkatern moet de hausse aan publikaties over naties, staten en nationalisme zijn opgevallen. Het gaat voornamelijk om gelegenheidsbeschouwingen, die zijn geïnspireerd op de wederopleving van nationalistische sentimenten in Europa na de val van het communisme, en op de conflicten en oorlogen die hieruit zouden zijn voortgekomen. Schrijven over internationale politiek is nu eenmaal conjunctuurgevoelig en nationalisme blijkt in de mode.

Een belangrijk deel van de recent verschenen studies zal de tand des tijds niet doorstaan. Staat und Nation in der europäischen Geschichte van de Berlijnse historicus Hagen Schulze behoort tot de uitzonderingen. Het is een overzichtelijk boek: evenwichtig, kritisch en in een opmerkelijk vlotte en leesbare stijl geschreven. Staat und Nation laat zich echter moeilijk recenseren. De kracht van het boek schuilt niet in opmerkelijke interpretaties of verrassende invalshoeken, maar in de fraaie vertelling en synthese van een verhaal dat in wezen bekend verondersteld mag worden. Dit verhaal laat zich moeilijk samenvatten, zonder geweld te doen aan de nuances en veelzijdigheid van Schulze-s analyse.

Schulze beschrijft de ontwikkeling van natie en staat van de middeleeuwen tot aan het einde van de twintigste eeuw. Hoewel de titel van zijn boek anders suggereert, laat de auteur oostelijk Europa goeddeels buiten beschouwing. Schulze verwijst naar de deling van het continent in een West- en in een Oostromeins Rijk in de vierde eeuw na Christus en naar de twee 'beschavingsgebieden' die sindsdien in Europa zijn ontstaan, een westelijke cultuur enerzijds en een Byzantijnse en Russisch-Orthodoxe beschaving anderzijds. Deze cultuurhistorische binnengrens in Europa rechtvaardigt echter toch niet de stiefmoederlijke behandeling die oostelijk Europa in Staat und Nation ten deel valt. Zeker waar het de ontwikkeling van naties en nationalisme betreft zijn er belangrijke parallellen tussen wat Schulze typeert als Mitteleuropa (lees: de Duitse gebieden) en oostelijk Europa. Wat te doen met het 'overgangsgebied' tussen deze westelijke en oostelijke 'tradities', de regio die we tegenwoordig zijn gewend te typeren als Centraal-Europa? Bovendien is de vergelijkende benadering de beste methode om de uniciteit van het proces van natie- en staatsvorming in westelijk Europa, waarvan ook Schulze overtuigd is, te illustreren.

Hoewel naties en staten zich niet per se gelijktijdig ontwikkelden, zijn ze alleen in hun samenhang te begrijpen. Juist het onderling verband tussen beide heeft het karakter van het nationalisme bepaald. Schulze begint zijn geschiedenis van natie en staat aan het einde van het eerste millennium, omstreeks het jaar 1000 dus. Vervolgens beschrijft hij het proces van staatsvorming in Europa, de ontwikkeling van de idee van de natie, en de gevolgen van de vereniging van beide 'culturele constructies' in de Nationalstaaten van de negentiende en twintigste eeuw. Zoals het een historicus betaamt, hoedt hij zich voor anachronismen en voor oppervlakkige continuïteiten in de geschiedenis. Hoewel de eerste zeven eeuwen er in krap zestig bladzijden doorheen gaan, overtuigt Schulze's analyse dat de staatkundige constructies en de samenlevingen waarvan in deze periode sprake was evenveel van doen hebben met moderne staten en naties als de ossekar met een Alfa Romeo 155.

Rousseau

Hoewel Westeuropese staten pas in de loop van de zeventiende eeuw vormen aannamen die enige gelijkenis vertoonden met de politieke bouwwerken van onze tijd, blijft Schulze voorzichtig. Anders dan de overlevering wil, heeft Lodewijk XIV, de belichaming van de absolutistische monarchie, nooit uitgeroepen 'L'état, c'est moi'. Hij had het echter kunnen doen, meent Schulze, en met hem de meeste andere regerende vorsten in Europa, maar ook hier geldt dat onder 'staat' nog niet de politieke uitdrukking van soevereiniteit en onafhankelijkheid moet worden begrepen die ze pas later zou worden. Hoewel de macht van de vorst 'absoluut' was, hem van Godswege toevertrouwd, bleef het bereik van de staat beperkt. De afstand tussen de idee en de praktijk van het absolutisme zou pas tijdens de Franse Revolutie worden overbrugd, stelt Schulze, toen oorlog en terreur de revolutionaire eenheidsstaat, de vermeende uitdrukking van de gemeenschappelijke wil (volonté générale) creëerden.

Schulze citeert de ideoloog van de 'volksstaat', Jean-Jacques Rousseau, om de januskop ervan (democratie of dictatuur) te illustreren: “Men moet het individu dwingen zijn wil in overeenstemming met het belang van de staat te brengen, men moet het volk leren wat het wil.” Rousseau stierf te vroeg om getuige te zijn van het onbedoelde effect van zijn woorden. Zijn fraaie ideaal ging in korte tijd ten onder aan, zoals Schulze het uitdrukt, 'de onmenselijke mensenliefde van een handvol ideologisch ontvlamde Jacobijnen'. In de twee eeuwen die volgden zou deze gemeenschappelijke wil (willekeurig vertaald als het nationale belang, de heerschappij van het volk, de dictatuur van het proletariaat of combinaties hiervan) de legitimatie zijn van een lange reeks misdaden van staatswege tegen de eigen onderdanen.

De Franse Revolutie gaf niet alleen een nieuwe dimensie aan de macht en verantwoordelijkheid van de staat, maar wordt ook dikwijls beschouwd als het beginpunt van de moderne idee van de natie, van het nationalisme. Het mag onderhand bekend worden verondersteld dat naties (of staten) geen permanente of vanzelfsprekende historische verschijnselen zijn. Evenmin is de natie, zoals sommige vooraanstaande auteurs over nationalisme menen (Ernest Gellner, E.J. Hobsbawm), in essentie een kunstmatige, politieke categorie. Schulze heeft, zoals de meeste historici, moeite met het geven van een sluitende definitie van het begrip natie. In laatste instantie komt ook hij uit bij de typering die de Franse historicus Ernest Renan reeds gaf in 1882, un plébiscit de tous les jours. Schulze vat samen: “Naties zijn produkten van de geest, gemeenschappen die bestaan zolang ze leven in de harten en hoofden van de mensen, en die verdwijnen zodra ze niet meer gewenst zijn of relevant worden geacht.” Naties zijn 'culturele constructies', die op enig moment in de Europese geschiedenis zijn ontstaan en zich sindsdien voortdurend hebben aangepast.

Vaderland

De geschiedenis van de Europese naties zoals ze zich vanaf de middeleeuwen heeft voltrokken, is een geschiedenis van louter uitzonderingen, meent Schulze. Desondanks onderscheidt hij twee belangrijke categorieën: staatsnaties en cultuurnaties. De Engelse en Franse naties, behorend tot de eerste groep, en de Duitse natie, een representant van de tweede categorie, zijn de voorbeelden waarop Schulze's analyse is gebouwd. Hoewel in beide gevallen de natie met hetzelfde materiaal (taal, religieuze overtuiging, lotsverbondenheid, gemeenschappelijke afkomst en de 'nationale' stereotypen die hieraan werden ontleend) werd geconstrueerd en hoewel ze in beide gevallen aanvankelijk beperkt bleef tot een maatschappelijke elite (degenen die 'politiek actief' waren) bestond er een belangrijk onderscheid in de rol en betekenis van de staat. De relatief vroege ontwikkeling van een permanente gemeenschappelijke Engelse of Franse identiteit, voorwaarde van een nationaal bewustzijn, was niet uitsluitend op culturele integratie gebaseerd.

Staatkundige integratie voltrok zich in samenhang met de culturele eenwording of ging er aan vooraf. In het centrale deel van Europa kon geen sprake zijn van een wederzijds beïnvloeding en bevruchting van staat en cultuur. De mogelijkheden van de 'natie' zich te identificeren met de 'staat' waren over het algemeen beperkt, zo niet afwezig. Van een parallellie van natie en staat, van politieke binding zoals in het geval van Engeland en Frankrijk, was hier geen sprake. De natie kon alleen 'cultureel' gedefinieerd worden. “Wat is het Duitse vaderland?” citeert Schulze het Vaterlandslied uit 1813 van de dichter Ernst Moritz Arndt. Antwoord: overal waar de Duitse taal wordt gesproken.

In de negentiende eeuw veranderden de inhoud en, vooral, de politieke betekenis van de idee van de natie ingrijpend. De natie zou niet langer het domein blijven van een maatschappelijke elite, maar, in de woorden van Schulze, de massa's veroveren en het belangrijkste instrument van politieke legitimiteit worden. De auteur beperkt zich voornamelijk tot een beschrijving van de factoren die deze gedaanteverandering zouden hebben bepaald: ingrijpende maatschappelijke veranderingen (een bevolkingsexplosie zonder precedent, een revolutie in transport, communicatie en scholing, industrialisatie en omvangrijke sociale ellende), de worsteling van de absolutistische regeerders met een groeiend gebrek aan politieke effectiviteit en legitimiteit, en het radicaliserende effect van oorlog en bezetting op de nationale identiteit (meer in het bijzonder op de vijandbeelden, dikwijls ouder dan het werkelijke begrip van de eigen natie, die de nationale identiteit schraagden). De Nationalstaat, de 'natie-staat', ontstond.

Teleurstelling

De verbreiding van de idee van de Nationalstaat over Europa had ingrijpende gevolgen. De overtuiging dat de natie-staat de vanzelfsprekende, natuurlijke en enige moreel aanvaardbare vorm van politieke organisatie was, lag ten grondslag aan een proces van staatsvorming dat tot in onze dagen zou voortduren, en ze gaf voeding aan wat in de literatuur vaak als 'integraal nationalisme' wordt getypeerd, de verabsolutering van het belang van de natie. 'Du bist nichts, Dein Volk ist alles.' Ze liep uit op de 'totale natiestaat' van de twintigste eeuw.

Schulze beschouwt het als een van de grootste teleurstellingen van de naoorlogse geschiedenis dat zelfs op het westelijk deel van het continent het principe van de natie-staat niet echt aan betekenis heeft ingeboet. En de 'adembenemende snelheid' waarmee het zich in de nadagen van het communisme over de rest van Europa heeft verbreid, ervoer hij zelfs als een 'cultuurschok'. Tezelfdertijd stelt hij echter vast dat naties, lange tijd niet meer dan utopische constructies, nu 'levendige culturele en geestelijke wezens' zijn, bestand tegen de voortgang van de geschiedenis.

Enigszins obligaat merkt Schulze op dat integratie dus nooit tegen, maar alleen met de Europese naties en hun legitieme 'eigenheden' kan worden gerealiseerd. Om tenslotte spijtig te moeten concluderen dat de argumenten voor integratie, voor 'Europa' vooral het verstand lijken aan te spreken, terwijl de argumenten tegen Europa uit het hart komen.