Moslims willen vooral religieuze faciliteiten

Het is onzin dat de islamitische fundamentalisten streven naar sociale rechtvaardigheid, aldus J. Brugman. Diens visie doet volgens P.S. van Koningsveld echter geen recht aan de complexiteit van de islamitische discussies, noch aan de realiteit van de hedendaagse islamitische attitudes in West-Europa.

De bijdrage van Brugman aan de discussie over het islamisme (NRC Handelsblad, 1 maart) behoeft op enkele centrale punten correctie. Het gaat hier met name over de theoretische verhouding tussen islam en staat en de praktische attitudes van moslims in hedendaags West-Europa.

Brugman stelt dat het machtsstreven van het hedendaagse islamitische fundamentalisme geen historische 'ontsporing' is, maar de uiting van de 'gewone' islam, en wel omdat “de islam als staat begonnen is”. De islam is echter niet als staat begonnen. Tijdens de vroegste periode, in Mekka, waren Mohammeds volgelingen als kleine minderheid aan de heersende, niet-islamitische rechtsregels onderworpen. De belangrijkste islamitische sociale regels werden pas tijdens de tweede fase van de ontstaansgeschiedenis van de islam ontwikkeld, in de stad Medina. Hoewel Mohammed zijn optreden als profeet in de laatstgenoemde stad inderdaad met staatsvorming verbond, bevat de koran geen specifiek staatkundige regels. Dit verklaart onder meer waarom het meningsverschil over de verhouding tussen islam en politiek onmiddellijk na zijn dood ontstond.

De consensus die binnen de islam werd bereikt had slechts betrekking op de centrale plaats die aan de vroegste (Mekkaanse) onderdelen van het systeem moest worden toegekend. Deze segmenten omvatten (1) de kernwaarheden van het islamitische geloof, en (2) enkele ceremoniële plichten, waaronder met name het gebed (de salat).

Ten aanzien van de vraag in hoeverre men om een goed moslim te zijn ook de maatschappelijke regels van de islam moest praktizeren, liepen de meningen wijd uiteen, een situatie die tot op de huidige dag onverminderd voortduurt. Voor islamitische minderheden onder niet-islamitisch bestuur is de betekenis van deze vraag altijd een andere geweest dan voor samenlevingen die in meerderheid islamitisch waren of onder islamitisch bestuur stonden. Dit geldt ook in de huidige tijd, waarin naar schatting eenderde van alle moslims als minderheden leven.

De discussies over de betekenis van een meer geloofsgerichte versus een meer sociaal-politiek gerichte religieuze praxis hebben in de twintigste eeuw een geheel nieuwe actualiteit gekregen. Modernistische en liberale stromingen stellen zich in het algemeen op het standpunt dat de kernwaarden van de islam, die voor altijd hun waarde behouden, uit de Mekkaanse tijd stammen. De rechtsregels uit de Medinensische tijd zijn volgens dit standpunt in de huidige tijd als verouderd te beschouwen.

Voor wat betreft de meer orthodoxe, inclusief de zogenaamd 'fundamentalistische' stromingen moet een onderscheid gemaakt worden tussen discussies die betrekking hebben op de situatie in de islamitische wereld enerzijds en op de islamitische minderheden anderzijds. In de islamitische wereld stellen de zogenaamde fundamentalisten zich op het standpunt dat de Medinensische erfenis van de islam zijn betekenis onverminderd heeft behouden. Zij willen echter niet, zoals Brugman stelt, terug naar een “rechtssysteem uit de elfde eeuw”, maar naar hetgeen zij zien als de 'heilstaat van Medina'. Dit in wezen utopistische streven kàn zich op gewelddadige wijze uiten, maar is niet intrinsiek gewelddadig. Het is een streefdoel waarvoor in beginsel verschillende middelen kunnen worden aangewend.

In het denken van hedendaagse orthodoxe fundamentalisten die zich op een vreedzaam politiek standpunt stellen is de doelstelling van een islamitische heilstaat een zaak van lange adem en heeft deze haast een eschatologische kleur. Wanneer zulke islamitische stromingen tot de politieke arena worden toegelaten, zal hun streefdoel, vanuit de noodzaak tot pragmatisch handelen en het sluiten van compromissen, een analogie worden van het christelijke “Koninkrijk van God”.

Voor wat betreft de islam als minderheidsgodsdienst is van belang dat ook streng orthodoxe hedendaagse studies naar voren brengen dat moslims zich in die situatie moeten richten naar de vroegste periode van de islam, in Mekka. Dit was de tijd waarin moslims waren gehouden tot gehoorzaamheid aan de bestaande niet-islamitische wetten. Volgens dit standpunt, dat onder meer door de Libanese wetgeleerde Mawlawi in een reeks lezingen in Parijs werd verwoord, verplicht de islam aan moslims in het Westen om naar het voorbeeld van de vroeg-Mekkaanse moslims, loyaal te zijn aan de niet-islamitische overheid en te gehoorzamen aan de wetten van hun land, zolang zij hun geloof kunnen belijden en de religieuze voorschriften in engere zin, zoals de gebeden, kunnen beoefenen. Dit is een standpunt dat een harmonieuze invoeging van de islam in West-Europa alleszins mogelijk maakt. Het sluit direct aan bij het beginsel van de godsdienstvrijheid, zoals dat in de Westeuropese grondwetten verankerd ligt.

De strekking ervan wordt zeker door de overgrote meerderheid van mensen met een islamitische achtergrond onderschreven, hetgeen onder meer kan worden geïllustreerd aan de hand van het recente onderzoek over moslims en de Franse samenleving (bijlage van Le Monde, 13 oktober 1994). Onder de kop 'Godsdienst en Wet', bevatte deze enquête onder meer enkele vragen naar een mogelijke religieus-politieke agenda van moslims in Frankrijk. 95 procent van de ondervraagden met een islamitische achtergrond was van mening dat men volledig in de Franse samenleving kan zijn geïntegreerd en tegelijkertijd de islamitische godsdienst in de privé-sfeer kan praktizeren (tegen 93 procent in 1989). 22 procent van de ondervraagde moslims bepleitte het toestaan van de hoofddoek in openbare scholen (tegen 4 procent van de totale Franse bevolking); 74 procent sprak zich uit voor de bouw van moskeeën in Frankrijk op verzoek van belijdende moslims (tegen 30 procent van de totale Franse bevolking); 45 procent was van mening dat de minaretten van Frankrijks moskeeën even zichtbaar behoren te zijn als de klokketorens van de kerken (tegen 13 procent van de totale Franse bevolking); 28 procent meende dat overdag de oproep tot de gebeden via de luidspreker vanuit de moskeeën moet kunnen weerklinken (tegen 3 procent van de totale Franse bevolking). Ten slotte was 17 procent van de ondervraagde mensen met een islamitische achtergrond van mening dat moslims in Frankrijk gebruik moeten kunnen maken van een eigen godsdienstig gefundeerd statuut voor de regeling van huwelijk, echtscheiding en toezicht op de kinderen (in een soortgelijke enquête van 1989 was dit percentage 27). Daarentegen wees 78 procent van dezelfde ondervraagden dit speciale statuut af, was van mening dat de wetten voor allen dezelfde behoren te zijn en plaatste zich daarmee op een secularistisch standpunt.

De resultaten van deze enquête wijzen uit, dat een religieus-politieke agenda van moslims in West-Europa in hoofdzaak uit twee onderdelen zou kunnen bestaan. Het eerste en belangrijkste onderdeel omvat een reeks wensen, gedragen door grote groepen mensen met een islamitische achtergrond, die zich richten op de realisering van faciliteiten die analoog zijn aan hetgeen ook voor andere godsdienstige groeperingen aan voorzieningen bestaat. De tweede paragraaf, gedragen door een kleine minderheid (ook vertegenwoordigd in andere Westeuropese landen), is gericht op bijzondere voorzieningen in de sfeer van het islamitische familierecht, die afwijken van het algemeen gangbare, secularistische stelsel.

Mijns inziens moet op beide paragrafen serieus worden ingegaan. Voor wat betreft de wens naar een eigen godsdienstig gefundeerd personeel statuut, kan men een voorbeeld nemen aan de Britse jurist Sebastian Poulter, die de praktische en principiële bezwaren tegen een dergelijke ontwikkeling binnen de Westerse context heeft uiteengezet. Van geheel andere orde zijn echter de islamitische verlangens die binnen de grondwettelijke kaders van de godsdienstvrijheid vallen, maar desalniettemin grote obstakels ontmoeten in vrijwel alle landen van de Europese Unie. Hierbij valt te denken aan het stichten en bezoeken van moskeeën, het inrichten van begraafplaatsen en islamitische scholen, het naleven van kleding- en voedselvoorschriften en het vieren van godsdienstig belangrijke feestdragen.

Brugmans visie op de geschiedenis van de islam is in feite die van de fundamentalisten wanneer zij nadenken over de islam in een meerderheidspositie. Deze visie doet echter geen recht aan de complexiteit van de islamitische discussies, noch aan de realiteit van de hedendaagse islamitische attitudes in West-Europa.