Mannen hebben nog steeds veel hogere kans op hartaanval

Op maandag 27 maart vroeg de TROS aandacht voor 'HartenVrouw'. In de gids las ik: “Vrouwen meer kans op hartzeer! Welgeteld 28.053 vrouwen, tegenover 26.904 mannen overleden in 1993 aan hart- en vaatziekten. Vrouwen hebben dus, in tegenstelling tot wat altijd werd aangenomen, méér kans op hart-en vaatziekten dan mannen.”

Laat ik voorop stellen dat ik niets heb tegen het feit dat de Nederlandse Hartstichting 'HartenVrouw' tot jaarthema heeft uitgeroepen. Het is uitstekend dat in den brede bekend is dat 'hart- en vaatziekten niet discrimineren', zoals minister Borst stelde (NRC Handelsblad van 4 maart 1995), ook al is deze opmerking zo los beschouwd niet geheel juist. Maar zij vervolgde terecht: “Ook voor vrouwen zijn hart- en vaatziekten vijand nummer één. Als je een man in al zijn maatschappelijke vormen gaat imiteren, krijg je ook zijn ziekten. Dat een hartaandoening nog steeds als een echte mannenkwaal bekend staat, komt waarschijnlijk doordat mannen al op middelbare leeftijd worden getroffen. Van de mannen die aan een hartaanval overlijden is 26% jonger dan 65 jaar, bij vrouwen is dat 9%.” Vrouwen worden vanaf de menopauze niet langer beschermd door het vrouwelijke geslachtshormoon oestrogeen. Zij beginnen dan een inhaalmanoeuvre in het dichtslibben van de aderen door aderverkalking vooral doordat ook zij in de afgelopen decennia ongezonder zijn gaan leven (roken, drinken, stress).

Het verbaast me dat artsen nog onvoldoende oog zouden hebben voor de specifieke seksegerichte aspecten van hart- en vaatziekten. Uiteraard moeten deze nauwkeurig in beeld worden gebracht. Wij zijn inmiddels een goed opgeleid volk, hebben een gezond verstand en laten ons niet gemakkelijk bij de neus nemen. Het moet mij daarom van het hart dat de mededeling over het bewuste TV-programma op de televisie/radio-pagina van NRC Handelsblad 27 maart 1995 ook suggestief was geformuleerd. 'Meer vrouwen dan mannen overlijden aan hart- en vaatziekten' vertalen in 'een hogere kans van vrouwen' gaat veel te ver. Hoewel op het eerste oog misschien logisch, is het toch onzin, ook al is het waar dat, wanneer momenteel iemand met een hart- of vaataandoening het ziekenhuis wordt binnengereden, de kans iets groter is dat dat een vrouw betreft.

'Kansen' dienen echter altijd gerelateerd te worden aan de omvang van de risicobevolking, alleen dan gelden ceteris paribus condities (onder gelijke of goed vergelijkbare omstandigheden). Dan wordt duidelijk dat, anders dan de minister suggereerde, de dood wel degelijk discrimineert: mannen overlijden eerder dan vrouwen, mensen met een goed betaalde baan overlijden later dan mensen met een slecht betaalde of helemaal geen baan, kortom armen overlijden eerder dan rijken. Tot de bevolking van 65 jaar en ouder behoren veel meer vrouwen (1,22 miljoen) dan mannen (0,81 miljoen). Dat wordt vooral veroorzaakt door het feit dat de gemiddelde levensverwachting van vrouwen hoger is dan die van mannen. In het begin van de jaren tachtig was het verschil 6,7 jaar, thans nog maar 6,0 jaar. Mannen worden nu eenmaal veel eerder in hun leven geconfronteerd met vaak fatale hart- en vaatziekten: 50-59-jarige mannen hebben bij voorbeeld een 3x grotere kans op sterfte daaraan dan vrouwen van die leeftijd. Door deze 'discriminerende' selectie is de omvang van de groep vrouwen die thans, op hoge leeftijd, 'toevallig' last hebben van hart- en vaatziekten zeer gegroeid: het is een gevolg van de veranderde leeftijdsopbouw.

De voortgaande vergrijzing doet zelfs vermoeden dat het (absolute) aantal vrouwen met hart- en vaatziekten in de nabije toekomst eerder zal toenemen dan afnemen. Maar dat heeft niets te maken met een 'hogere kans'. Deze zijn tamelijk constant in de tijd en laten zien dat in iedere leeftijdsgroep nog steeds geldt dat er een hoger percentage mannen overlijdt aan hart- en vaatziekten dan vrouwen (zie ononderbroken lijn in de grafiek: de lijn daalt met toenemende leeftijd maar blijft boven referentielijn 100). Confrontatie van kans en het van jaar op jaar veranderend absoluut aantal aanwezigen in iedere leeftijdsgroep bepaalt de aantallen mannen en vrouwen die daaraan overlijden en dus ook de geslachtsverhouding van de overledenen per kalenderjaar (zie stippellijn: deze komt vanaf de leeftijdsgroep van 80 jaar onder 100, hetgeen wil zeggen dat er dan, in absolute aantallen, aan hart- envaatziekten meer vrouwen overlijden dan mannen). De suggestie als zou het abnormaal zijn dat er meer vrouwen dan mannen aan deze kwalen overlijden mist dus elke grond. Dat hangt af van de leeftijdsopbouw. Desondanks is de aandacht van de actie 'HartenVrouw' uitstekend, want wij blijven streven naar een zo hoog mogelijke 'gezonde levensverwachting'.