Lichte zeden in het oude Wenen

KARIN J. JUSEK: Auf der Suche nach der Verlorenen: die Prostitutionsdebatten im Wien der Jahrhundertwende

296 blz., Löcker Verlag Wenen 1994, ƒ 60.-

De Parijse arts Alexandre Parent-Duchâtelet (1790-1836) komt de eer toe het eerste wetenschappelijke werk over prostitutie te hebben geschreven: het onkreukbaar degelijke De la prostitution dans la ville de Paris, dat in 1836 verscheen en de schrijver bij zijn vakbroeders posthuum het door niemand ironisch bedoelde epitheton 'Newton van het deernendom' opleverde.

Waar specialisten uit de achttiende eeuw het hadden gelaten bij moraliserende donderpreken dan wel galante utopieën, was nu de hoererij voorwerp van serieuze studie geworden. Parent tabelleerde alles wat zich daartoe leende, van het jaarlijkse gemiddelde gewicht van de filles van Parijs tot de frequentie van geslachtelijke infecties in de garnizoenen van de hoofdstad; hij telde, beschreef en rapporteerde met de ernst, de vlijt en het wetenschapsoptimisme van de ware negentiende-eeuwse hygiënist.

In het positivistische denken van de negentiende eeuw, betoogt de Oostenrijks-Nederlandse historica Karin Jusek, was seks in wezen een maatschappelijk probleem. De mannelijke seksualiteit gold als nu eenmaal niet te beheersen oerdrift. Onderdrukking ervan zou de metaforische druk op de dito ketel vervaarlijk doen toenemen: het instituut prostitutie was derhalve een noodzakelijk kwaad en minder een voorwerp van moraal dan van nuchtere sociale fysica. Voor de ongetrouwde arbeiders en dienstknechten en voor alles wat verder het 'seksuele proletariaat' van Wenen uitmaakte, werd het bordeelbezoek verkieslijk geacht boven het onoverzichtelijke buitenechtelijke gefriemel dat hygiënisten en politie zozeer verontrustte.

Daartoe moest dat bordeel dan wel een passabel nette en van hogerhand goedgekeurde instelling zijn, en geen oord van verderf: de prostitutie kon haar betreurenswaardige doch onontbeerlijke maatschappelijke functie alleen vervullen mits ze enigszins in de hand te houden was. Dit nu, leek niet het geval te zijn: gezien het de Königliche und Kaiserliche Residenzstadt tot laat in de eeuw aan reglementering terzake ontbrak en becijfering noch controle derhalve mogelijk waren, nam het probleem in de ogen van verontruste burgers ontzagwekkende omtrekken aan. In zijn memoires herinnerde Stefan Zweig zich het Wenen van zijn jeugd als bevolkt door dichte drommen prostituées. Maar zijn beschrijving van de Weense fin-de-siècle prostitutie als een soort oeverloos ondergronds meer van betaalde lust - waaruit syfilitische walmen naar de burgerwereld opstegen - vertelt ons méér over de obsessies van burgerlijke jongelieden dan over de omvang van de prostitutie in Wenen, zoals de schrijfster terecht opmerkt.

Medische controle

Niet bekend

Meer in het algemeen laat Jusek overtuigend de eigen dynamiek van het prostitutiedebat in Wenen zien. De discussie meed doorgaans het pragmatische, concrete terrein ten faveure van wat ijlere hoogten: 'de kwestie' was voornamelijk een zeer geschikt vehikel voor bredere maatschappijvisies en voor aanspraken op sociaal prestige en politieke geloofwaardigheid. De historicus vindt dan ook weinig betrouwbaar cijfermateriaal in de forse stroom publikaties ter zake. Deze stroom kwam rond het midden van de eeuw op gang en zou pas door de Grote Oorlog afgebroken worden. Het hoogtepunt van de retorische activiteit lag rond de eeuwwisseling; dat is ook het tijdperk waarop vrouwen - nette vrouwen wel te verstaan - voor het eerst aan de discussie deelnamen. Deze discussie werd gevoerd rond de reglementering van prostitutie: het door politie en medische stand zo verdedigde systeem dat al vanaf het midden van de eeuw in andere grote steden van Glasgow tot Sint-Petersburg ingang gevonden had, maar waarvan de invoering in Wenen door de katholieke kerk was tegengehouden tot in 1873.

In dat jaar had de Weense politie definitief de toestemming gekregen om de prostituées in de stad te registreren en aan medische controle te onderwerpen. Een politioneel schrikbewind was het gevolg geweest. Daar inschrijving bij het commissariaat meer pesterijen en verklikking bij werkgevers en huisbazen dan bescherming opleverde, was nauwelijks een Dirne bereid om zich vrijwillig te laten registreren. De politie nam haar toevlucht tot razzia's in danszalen en op straat. Daarbij duurde het niet lang of er werden ook keurig nette dienstmeisjes opgepakt. De verontwaardiging over hun arrestatie en vernederende gynecologische inspectie bood brandstof voor de anti-reglementaristische (of abolitionistische) opinie, die krachtiger werd naarmate de corruptie, de willekeur en de zinloosheid van het Weense systeem duidelijker aan het licht kwamen. Inspiratie vonden de Weense abolitionisten bij de internationale kruistocht tegen vrouwenhandel en officiële prostitutie.

De erkenning van het 'noodzakelijke kwaad' sloot impliciet de volgehouden kuisheid als alternatief uit en moest Rome dus wel een gruwel zijn. In Wenen had de kerk de getolereerde prostitutie lange tijd met succes weten tegen te houden: anders dan in andere katholieke landen waren staat en kerk in Oostenrijk niet gescheiden, het concordaat van 1855 had de Oostenrijkse kerk zelfs immense maatschappelijke macht verleend. Hieraan kwam in de jaren 1870 een einde en de kerk moest zich mokkend het Weense reglement laten welgevallen. Eerder dan zich aan te sluiten bij de abolitionistische opinie, die eerder de vrijzinnige beginselen was toegedaan, richtte de katholieke hiërarchie haar pijlen op het concubinaat, op gemengde huwelijken en op alles wat verder het zuiver katholieke huwelijk bedreigde. Aan de kwestie prostitutie werd alleen nog en passant gerefereerd, zoals in 1901 toen katholieke dames vanaf de kansel - tevergeefs - werden opgeroepen tot caritas voor gevallen of 'bedreigde' arme meisjes.

Vrouwenbeweging

Vijf jaar daarvóór had de vrouwenbeweging in antwoord op haar petitie tegen de staatsprostitutie van de regering te horen gekregen dat het vrouwen beter stond, zich om hun gevallen zusters te bekommeren dan bizarre eisen tot stemrecht te formuleren. Met enig genoegen constateerden de feministes dat ook hun tegenstanders blijkbaar het verband tussen het bestaan van officiële prostitutie en de afwezigheid van burgerrechten voor vrouwen erkenden. De dames van de vrouwenbeweging weerden zich fors en in vaak briljante, geestige bewoordingen, die - plezierig voor de lezer - in extenso worden geciteerd.

Jusek wijst echter ook op de ambivalentie die onder de verontwaardiging school. Uit romans en dagboeken van Weense suffragettes blijkt een veel grotere afkeer van 'onnette' vrouwen dan uit hun politieke geschriften naar voren komt. Privé gaven de Frauenrechtlerinnen uiting aan hun machteloze woede over de omgang van hun eigen echtgenoten en vrienden met 'die vrouwen', terwijl zijzelf tot kuis blauwkousendom waren veroordeeld op straffe van verlies van aanzien (of erger). “Hij voelt zich er uitstekend bij”, schreef de feministe Rosa Mayreder bitter, “en ik sticht maar maatschappijen ter bestrijding van prostitutie.”

Eenzelfde ambivalentie kenmerkt ook het sociaal-democratische discours. De prostituée werd dan wel als het zieligste slachtoffer van het kapitalistische onrecht afgeschilderd, maar verder was het engagement op dit vlak bijzonder lauw. Hoeren hoorden toch eerder bij het werkschuwe gespuis waar het Oostenrijkse socialisme met zijn nadruk op volksverheffing zich van distantiëren wilde. De hoerenverheerlijkende 'genotfilosofie' van literati als Wedekind en Kraus werd in de rode pers - niet geheel ten onrechte - verweten dat zij uiteindelijk bijdroeg aan het in stand houden van de burgerlijke dubbele moraal en de seksindustrie.

Vandaag de dag doet het principe van solidariteit met prostituées in sommige feministische kringen opgeld. Jusek is hier sceptisch over. Hoewel discriminatie van prostituées bestreden moet worden, zijn er grenzen aan het feministische engagement: prostitutie bestaat immers, zo stelt zij in haar conclusie, bij de gratie van de traditionele verhouding tussen de seksen - mannen worden door driften geleid en vrouwen geven daar tegen beloning aan toe - die juist door het feminisme wordt bestreden. Prostitutie is dus in wezen een conservatief instituut en kan niet tot revolutionaire instelling omhooggestileerd worden, alle spitsvondige 'seks-is-werk'-retoriek en gratuite 'hoeren hoera'-stoutigheid ten spijt.

Op deze polemische noot eindigt een spits, subtiel en zeer goed gedocumenteerd boek, waarin verontwaardiging en distantie elkaar elegant in balans houden en waarin eens te meer wordt aangetoond dat debatten over grote kwesties vaak over alles gaan behalve over die grote kwesties-zèlf.