Koopvaardij leverde grootste bijdrage aan zege

Bijna zes jaar lang was Carolus van Druten buitengaats. In 1940 was hij als vijftienjarige naar zee vertrokken. Op zijn zestiende zou hij naar de Zeevaartschool gaan, maar daar is het nooit van gekomen. Pas in 1946 kwam hij terug in het vaderland. Toen was hij meer dan vijf volle jaren op zee geweest. In Rotterdam, waar deze stoker ter koopvaardij vandaan kwam, was hij een vreemde in eigen stad geworden.

De Nederlandse handelsvloot, die de grootste en waardevolste Nederlandse bijdrage leverde aan de geallieerde eindoverwinning, leed in de zes oorlogsjaren (1939-1945) grote verliezen aan schepen en manschappen. Vooral in de eerste vier jaar, toen 520 schepen verloren gingen. Daarbij kwamen niet minder dan 3.310 opvarenden (onder wie bijna 1.400 niet-Nederlanders) om het leven. Als eerbetoon is in het Scheepvaartnuseum in Amsterdam de tentoonstelling 'Varen voor de vrijheid' ingericht. De expositie werd deze week geopend door prinses Margriet, petekind van de koopvaardij.

De zeevarenden die zolang van huis zijn geweest, waren lange tijd een min of meer vergeten groep. Ze hadden het niet alleen in de eerste drie oorlogsjaren heel zwaar, maar voor Van Druten was ook het laatste oorlogsjaar nog een heel riskante tijd. In de Pacific was de strijd tegen Japan nog lang niet beslecht, maar ook de Noordzee werd nog onveilig gemaakt door de duikboten van de Duitse marine die de Battle of the Atlantic (1943) hadden overleefd. “Omdat wij móesten blijven varen”, heeft Carel van Druten heel wat beleefd. “Nergens staat beschreven wat de gewone zeeman heeft meegemaakt.”

Van de zes schepen waarop hij voer, is alleen de Dempo vergaan. Dat was volgens K.W.L. Bezemer, de schrijver van 'De geschiedenis van de Nederlandse koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog' (Amsterdam, 1986) een van de fraaiste schepen van de Nederlandse handelsvloot. De Dempo verging in maart 1944 voor de Noordafrikaanse kust tijdens een troepentransport van Liverpool naar Oran, Algerije.

Al snel na de oorlog kwam er een initiatief voor een nationaal koopvaardijmonument. Duidelijk was dat het in Rotterdam aan de Nieuwe Waterweg moest staan. In 1957 was het klaar en werd het monument 'De Boeg', een creatie van Fred Carasso (1899-1969), door prinses Margriet onthuld. De beeldhouwer had van 1922 tot 1945 deelgenomen aan anti-fascistische verzetsactiviteiten en moest daarom als politiek vluchteling zijn vaderland Italië verlaten. Het door Fred Carasso gemaakte kunstwerk bestaat uit een vijfenveertig meter hoge, niet afgedekte staalconstructie: een voorplecht. Omdat het monument volgens sommigen als te abstract werd gezien, werd het acht jaar later uitgebreid met een beeldengroep (een roerganger, drie andere zeelieden en een verdronken maat) van Carasso's hand.

Vandaag de dag staat dit nationale monument in Rotterdam er wat troosteloos bij. Carel van Druten en de Amsterdamse historicus Dedalo Carasso, de oudste zoon van de kunstenaar, zijn daar kwaad over. Volgens hen wordt de waardigheid van het gedenkteken onderuitgehaald door de naburige opstallen van een rondvaartbedrijf. Het vrije zicht op De Boeg wordt bovendien belemmerd door de bouw van een nieuwe brug, de Erasmusbrug.

Op die manier ziet het er naar uit dat het koopvaardijmonument er niet voor altijd zal staan. Maar met de circa vijftienhonderd openbare oorlogsmonumenten die Nederland heeft, was het nooit de bedoeling dat zij er slechts voor één of twee generaties zouden staan. Ze moesten 'eeuwigheidswaarde' hebben, zo meende men na de oorlog.

Uit een historische turving door Dedalo Carasso blijkt dat er al tijdens de oorlog 25 herinneringstekens zijn gerealiseerd. In 1945 volgden er 42, in 1946 96, in 1947 nog eens 69, een kleine honderd in zowel 1948 als in 1949 en 81 in 1950. Het jaar daarop was de hausse voorbij. Een uitschieter was er bij de vijfentwintigste herdenking in 1970. Een soortgelijke opleving doet zich nu voor.

Er waren ook gemeenten waar de plaatselijke overheid het ondanks initiatieven uit de burgerij niet toestond oorlogsmonumenten neer te zetten. Een van de bekendste voorbeelden vormt het Bezuidenhout in Den Haag, dat in maart 1945 door een zwaar geallieerd bombardement werd getroffen. Omdat het een Brits 'vergissingstreffen' was, heeft de gemeente Den Haag er nooit aan willen meewerken dat voor de ruim vijfhonderd slachtoffers een monument werd opgericht. Een van de laatste monumenten die wordt gerealiseerd is het Nationaal Dachau Monument dat mogelijk nog dit jaar in Amsterdam wordt geplaatst.

Wat het Koopvaardijmonument in Rotterdam betreft, vinden Van Druten en de zoon van de maker dat vooral de omgeving van het kunstwerk toe is aan een grondige opknapbeurt. Niet alleen zou de directe omgeving van het monument vrij gemaakt moeten worden van allerlei lelijke obstakels, ook zou aan het monument zelf meer betekenis moeten worden gegeven. Carel van Druten wijst in dit verband op het Britse koopvaardijmonument bij de Tower in Londen, waarop ook alle namen worden vermeld van hen die zijn omgekomen. Zoiets, analoog aan het Amerikaanse Vietnam-monument in Washington, staat Van Druten en Carasso ook voor ogen.