Hollands Dagboek

David Vriesendorp (47), directeur van de Stichting SOS-Kinderdorpen Nederland, bezocht deze week Rwanda. Vriesendorp is gehuwd en heeft drie zoons. Kinderdorpen bestaan uit tien tot twintig 'gezinshuizen' waarin acht tot twaalf kinderen verblijven onder leiding van een moeder. Er zijn ook scholen, werkplaatsen, dagverblijven en medische centra. In 125 landen worden zo 180.000 kinderen verzorgd.

Vrijdag 31 maart

Op het kantoor van SOS-Kinderdorpen Nederland is het nog hectisch, de laatste uren voor mijn vertrek. Een bijeenkomst met een aantal bestuursleden en de laatste dingen die geregeld moeten worden voor mijn reis. Bestuursleden en medewerkers op kantoor werken hard voor SOS, dag en nacht soms, en dat is te merken. We groeien en bloeien zowel in Nederland als in de 125 overige landen waar de organisatie actief is in de opvang van weeskinderen en verlaten kinderen. In tweederde van het aantal landen in de wereld heeft SOS-Kinderdorpen thans meer dan 1200 faciliteiten waar structureel hulp wordt geboden. Momenteel bouwt SOS-Kinderdorpen in bijv. Georgië en Kazachstan en een derde dorp in Rwanda. De nood is hoog; in Rwanda zijn er sinds april 1994 tienduizenden verlaten kinderen bijgekomen.

Ik word naar Schiphol gebracht. Vanaf daar ben ik in twintig minuten in Brussel en wacht dan ruim drie uur voor de 'inscheping' naar Kigali en Nairobi wordt aangekondigd. In de wachtkamer strakke gezichten van donker gekleurde mensen. Over een paar dagen is het een jaar geleden dat het vliegtuig met de president van Rwanda, Juvenal Habyarimana en Cuprien Ntayamira van Burundi werd neergeschoten. Ze kwamen terug van een bijeenkomst voor de beëindiging van de etnische strijd in Burundi.

Zaterdag

In het vliegtuig naar Kigali ontmoet ik een Zuid-Afrikaanse vrouw die in Noord-Nederland is geboren. Zij kent het SOS-Kinderdorp in Mombassa goed. Ze wist niet dat er in Zuid-Afrika drie gemengde SOS-Kinderdorpen zijn. “Ik houd van Afrika”, zegt ze “Hier voel ik me één met God”. Haar man vindt het in Afrika een zootje. De enige die het nu goed hebben in Rwanda zijn volgens hem de gieren. We landen in Rwanda en reizigers met bestemming Kigali stappen daar uit; Belgische nonnen, een Oostenrijkse 'Blauwhelm' (Ja, gestern war es noch ruhig aber morgen?.....) en wat cameramensen.

Wij vervolgen onze vlucht over het hemelsblauwe Victoria-meer. De Kilimanjaro steekt recht door de wolken. De savannen glijden onder ons door. Zo indrukwekkend zijn de natuurparken, met al die dieren die vreedzaam naast elkaar leven en alleen bij honger elkaar opeten, maar niet martelen of nodeloos moorden. We kunnen nog veel van de dieren leren.

Ik word keurig opgehaald door Arshad die bij de aankomsthal met het SOS-bordje omhoog gestoken staat. Hij rijdt mij direct naar de technische school van SOS-Kinderdorpen in Nairobi. Deze school, in een buitenwijk van Nairobi, is ruim tien jaar geleden gebouwd met behulp van veel Nederlandse sponsors, en ligt er prachtig bij. Er zijn 138 leerlingen die over vijf studierichtingen verdeeld zijn. Ze werken in de meubelmakerij, electriciteitswerkplaats, kledingatelier, keuken en de metaalwerkplaats. Er worden technisch goede produkten gemaakt en de leerlingen, die ook van buiten het SOS-Kinderdorp komen, vinden na het examen bijna allemaal een baan. Het SOS-dorp bij de school dat in 1979 werd gebouwd op een kale vlakte ligt nu mooi tussen de bomen met een eigen groentetuin, een waterrecyclinginstallatie en op elk dak zonnepanelen. In vijftien huizen wonen gemiddeld zes tot acht weeskinderen met hun 'moeder', die voor ze zorgt en ze bijstaat als ze weer denken aan vroeger.

Zondag

Vroeg op, in verband met de vlucht naar Kigali. Hoe ik ook kijk, ik kan het Zuiderkruis aan de hemel niet onderscheiden. Ik had toch beter op moeten letten toen mijn vader me dat uitlegde. Op het vliegveld word ik opgehaald door Klaus Keller, regionaal directeur van Centraal Afrika met projecten in Rwanda, Burundi en Zaïre. In het, hier en daar kapotgeschoten, luchthavengebouw van Kigali wachten we op de koffers. Ik neem wat foto's van granaatinslagen in de zoldering van de vertrekhal, maar een heer met zonnebril vraagt of ik niet weet dat dat niet mag. Opeens staan er wel erg veel heren met zonnebrillen om me heen. Het filmpje moet ik inleveren. Jammer, want er stond een mooi plaatje op van een aantal collectebussen van SOS-Kinderdorpen op de luchthaven van Nairobi.

Op de weg naar het SOS-Kinderdorp Kigali zijn er om de paar kilometer roadblocks. Veel gebouwen zien er gehavend uit. De levensverwachting, die in dit land voor de laatste oorlog op 46 jaar lag, zal nog wel gedaald zijn dit laatste jaar. Het land van een duizend heuvels heeft er sedert april 1994 volgens schattingen ruim andrhalf miljoen kleine heuveltjes bij.

De doktor in het SOS-ziekenhuis laat me slachtoffertjes zien die voor altijd getekend zijn, met afgehakte ledematen en littekens in gezicht of nek. Zullen 'Vestine' en 'Claudine' van respectievelijk elf en zes jaar dit trauma kunnen verwerken? Deze kinderen moeten als adoptiekind gauw een plaatsje vinden op de piano in Nederlandse huiskamers. Van de 130 NGO's die er waren tijdens de oorlog, zijn er inmiddels nog maar weinig over.

Het SOS-Kinderdorp dat behoorlijk geruïneerd was, gaat door met het geven van structurele hulp. De huizen zijn weer opgebouwd en honderden kinderen, die geen enkel familielid meer hebben, komen langzaam tot rust. De verhalen die Els de Temmerman in haar ooggetuigeverslag over Rwanda vertelde, worden bevestigd. Kleuters die onder water gehouden werden tot ze verdronken, zwangere vrouwen die werden afgeslacht. Zijn er woorden voor verdriet?

In Byumba bouwt SOS-Kinderdorpen een nieuw dorp. Dat is hard nodig. Vanavond zag ik de bijna eenjarige Willy, die door Artsen Zonder Grenzen naar het SOS-Kinderdorp in Kigali is gebracht. Hij ziet er goed uit en schijnt niet merkbaar getraumatiseerd te zijn. Het is bijna ongelooflijk als je ziet hoe de talrijke kinderen tussen nul en vier jaar oud die in de vernieuwde SOS-huizen wonen en slapen, op aan elkaar gekoppelde bedden, zo'n zeldzaam vredige uitdrukking op hun gezicht hebben. Geheel ontspannen met de vrouwen die ze verzorgen als waren het hun eigen kinderen. Niets aan hen lijkt te herinneren aan de stelselmatige moordpartijen, waarin ouders werden gedwongen hun kinderen te doden en kinderen hun ouders.

De nacht valt over Kigali als ik met de regionale directeur en de dokter van het SOS-Kinderdorp ga eten. Buiten beginnen de krekels met hun geluid, zoals ze dat al eeuwen doen.

Maandag

Om ongeveer zes uur word ik wakker. De zon komt prachtig op, met rood-oranje wolken boven het King Feisal Hospital en het parlementsgebouw iets verder. Hier vonden vanaf begin april 1994 de gevechten plaats rondom Kigali. Op 8 april werd het SOS-Kinderdorp door de rebellen van het RPF ingenomen, een aantal mensen werd doodgeschoten en de moeders en kinderen vluchtten naar het King Feisal Hospital of naar Ngarama, waar SOS-Kinderdorpen een tentenkamp inrichtte. Een aantal kinderen vond onderweg naar het SOS-Kinderdorp in Gikongoro de dood.

Na het ontbijt laat Klaus Keller mij het ongeveer twaalf hectare grote SOS-Kinderdorp zien. In Afrikaanse huisjes, in traditionele stijl gebouwd, leven de kinderen en moeders en eten met elkaar bij het houtskoolvuur. Bovenop de rieten daken staat een omgekeerde pot die de boze geesten moet tegenhouden. Het dorp heeft een bananenplantage, een soort werkgelegenheidsproject waar SOS-moeders die hun echtgenoten verloren hebben, werken. Met een bak of een schep op de schouder en een kind op de rug bewerken de vrouwen de grond.

Klaus wijst mij de plek waar over een paar maanden de bouw zal beginnen van een school voor 720 kinderen die ook van buiten het SOS-Kinderdorp komen. Aangezien de ongeletterdheid volgens de gegevens in Rwanda dertig procent is, lijkt dit geen overdreven luxe. In september 1996 moet de school klaar zijn. Er wordt ook een ziekenhuis gebouwd, zodat de meer dan 170 patiënten, die per dag van heinde en verre naar het SOS-Kinderdorp komen voor gratis medische hulp, wat beter en sneller geholpen kunnen worden. Nu zitten de moeders, met vaak zeer jonge kinderen, zonder een spoor van haast te wachten tot de volgende zieke geholpen kan worden.

Daarna lopen we langs de kleuterschool, waar vrolijk gezongen wordt in een taal die ik niet versta. Na een paar keer oefenen komen de kinderen echter al een heel eind met het lied van 'Jan Huygen in de ton'. Vooral bij de naam 'Huygen' vallen de kinderen door elkaar van het lachen.

's Middags lunchen we met mais, aardappelen, vis en verse doperwtjes. Alles heerlijk klaargemaakt door John, de Somalische kok, die volgens eigen zeggen nog voor Siad Barre zou hebben gekookt. Rwanda is een bijzonder vruchtbaar land met een grote produktie van koffie en thee die voor een belangrijk deel wordt geëxporteerd. Schitterende bloemen, die bij ons thuis kwijnen van heimwee in kleine potjes, groeien en bloeien hier zoals onze lieve Heer dat bedoeld moet hebben. Kolibri's trillen in de lucht boven deze bloemen en schieten dan opeens weer weg. Dit land is oprecht mooi en ook al is het een van de meest dicht bevolkte landen ter wereld het zou zeker een prachtige vakantieland kunnen zijn met zijn nationale parken tegen de grens van Uganda en in het oosten bij Tanzania.

Dinsdag

Om acht uur vertrekken wij naar Byumba. Bij de verschillende roadblocks staan zeer jeugdige militairen die eerst even wachten voordat ze vragen waar je heen gaat. De spanning is soms van beide kanten te snijden. Gekleed in voormalige Oost-Duitse legeruniformen met AK-47 geweren in de aanslag. Ze dragen geen onderscheidingstekens, maar het is evident wie de leiding heeft. Het woord SOS doet wonderen. Langs deze weg liepen zeventien kinderen uit het dorp in Kigali onder leiding van Joseph, in twee dagen naar het RPF kamp in Byumba. Ontsnappend aan de hel van Kigali.

Het nieuw te bouwen dorp in Byumba krijgt circa vijftien huizen voor zo'n tweehondred kinderen. Ook komen er een school en een medisch post. De grond is geschonken door de lokale overheid. De bouwvergunningen zijn bijna rond zodat over enige maanden met de bouw kan worden begonnen. Het terrein ligt op zo'n 1.700 meter hoogte in de frisse berglucht, die zwanger is van de eucalyptusgeur. Water en elektriciteit zijn voor handen. Als dit dorp gereed is zullen er zowel in het Noord, Zuid, Oost en West als in het midden van Rwanda SOS-Kinderdorpen zijn. Mocht het onverhoopt weer nodig zijn dan kan in voorkomende gevallen worden uitgeweken naar één van de andere dorpen.

Vervolgens gaan we over zeer hobbelige wegen naar Ngarama, waar een noodkamp is ingericht in een voormalig weeshuis, hier wonen 86 kinderen. Zo'n vierhonderd kinderen van buiten het dorp worden hier voorzien van voedsel en kleding. Er zijn ook een kleuterschool, waar zo'n tachtig kinderen naar toe gaan, en een lagere school voor ongeveer 450 kinderen. In het hospitaaltje worden dagelijks zo'n vierhondred kinderen verzorgd. De kinderen zien er onder de omstandigheden opgewekt uit. In de grote hal grote hal eten ze in groepjes van de bonen en het vlees dat op houtskoolvuurtjes staat te pruttelen.

Oprecht onder de indruk, eten we met elkaar in de behandelkamer van dokter Dieudonné. Van luxe kan in dit dorp niet gesproken worden. Twee kinderen per bed. In elk schoollokaal wordt aan meer dan honderd kinderen les gegeven. Een goede gever heeft honderden meters stof afgestaan voor Donald Duck-tafellakens en Mickey Mouse-gordijnen. Het doet wat onwezenlijk aan in deze omgeving.

Terug naar Kigali rijden we door het Akagera Nationale Park. De zebra's, antilopen, wildebeesten e.d. zijn door het oorlogsgeweld verdreven. Kinderen lopen langs de weg met jerrycans water en hout voor het vuur. Uren zijn ze onderweg voor deze eerste levensbehoeften. In de buurt van het SOS-Kinderdorp, zijn er meer road-blocks dan anders. De krekels brengen me snel in slaap.

Woensdag 5 april

Door allerlei omstandigheden zijn we later naar Gikongoro vertrokken dan we van plan waren. Onderweg stoppen we bij een tankstation om te tanken. Een billboard met daarop 'The Power of Love' van Guinness Bier is doorzeefd met kogels, zoals bijna alle reclameborden hier. Verderop ligt een man onder een auto reparatiewerkzaamheden te verrichten. Een onbestemd gevoel komt in me op dat er vandaag iets niet goed gaat.

Het gaat regenen en de wegen worden spiegelglad. In Nyamabaye lopen veel mensen op straat, zodat de snelheid wordt aangepast. Plotseling steekt van links een vrouw, met kind op haar rug gebonden, over. De chauffeur Phillippe, die zijn aandacht op rechts heeft gericht, ziet het niet. De klap is verschrikkelijk, de vrouw wordt op de motorkap geslingerd en het kind breekt de val van de moeder op de voorruit die volledig versplinterd en ingedeukt wordt. De vrouw en kind vallen terug op de straat tussen de wielen. Van overal komen mensen toegelopen en militairen zetten lachend de straat af. 'C'est rien', zeggen ze. De vrouw wordt op een pick-up wagen in de laadbak gelegd en het kind in doeken gehuld er naast. Er is gelukkig een groot ziekenhuis een paar kilometer verder in Kabgayi.

Er wordt gebeld voor een nieuwe auto en de autoriteiten komen voor een rapport. Ze beginnen, na lang naar een meetlint te hebben gezocht, druk te meten. Na een tijd wachten komt tenslotte de auto van SOS uit Kigali. Hij blijkt te zijn aangereden door een auto van de UNESCO die geslipt was. De achterkant is beschadigd. Zo snel mogelijk rijden we naar het ziekenhuis om te kijken hoe het er voor staat met de vrouw en haar kind. De eerste hulppost bestaat uit een kaal gebouw waar op een betonnen vloer zo'n veertig bedden staan met plastic matrassen. De vrouw ziet er wonderbaarlijk goed uit. Het kind is zwaar gewond aan het hoofd, maar het reageert volgens de arts goed. Hij zegt dat het wel goed zal komen. Vanuit SOS zullen we natuurlijk al het mogelijke doen om het kind verder te helpen.

Het is een volstrekt absurde zaak dat je hier komt om het lot van kinderen te verbeteren en er vervolgens dit afschuwelijke ongeluk gebeurt. Ook voor Phillipe, de Rwandese chauffeur, is het vreselijk. Hij is bij de auto gebleven, aangezien de militairen de auto niet vrijgeven, wat weer tot veel ongenoegen leidt bij de plaatselijke autoriteiten. “Het zijn kinderen die wapens hebben en zich bemoeien met dingen waar ze niets mee van doen hebben”, zegt onze meetlint-man. Door een verwoest Gitarama rijden we verder naar Gikongoro dat op zo'n veertig kilometer van de grens van Burundi verwijderd ligt.

Na zo'n drie uur komen we aan in het dorp dat tegen een heuvel is aangebouwd. Militairen uit Gambia met blauwe helmen hebben een deel van het dorp gebouwd. In een berghuis, versterkt met zandzakken en veel prikkeldraad bewaken ze de communicatiefaciliteiten die hier zijn opgesteld. De kinderen uit het SOS-Kinderdorp en de talrijke oorlogsweesjes die we hier verzorgen, zingen allerlei vrolijke welkomliedjes. Ze wonen hier nu al weer ruim een half jaar sinds de rust in dit gebied is hersteld. In allerlei, tot slaapplaatsen verbouwde voormalige kippenhokken eten ze en spelen ze. Ze zien er opgewekt uit. Inmiddels zijn er al weer verschillende ouders opgespoord, zodat de gezinnen herenigd kunnen worden. Toch hebben de meeste kinderen kip noch kraai. En de traditionele opvang in familie of stamverband gaat in veel gevallen niet meer op.

De school waar ook kinderen uit de buurt les krijgen, is leeg want het is paasvakantie. Voor het ziekenhuis zitten kinderen geduldig te wachten op hun beurt. De Indische arts gaat secuur te werk.

Door de nacht rijden we terug naar Kigali. Veel mensen lopen nog steeds bepakt en bezakt langs en op de weg. Auto's zijn slecht of niet verlicht en de roadblocks zie je pas op het laatste moment. Er zitten veel kuilen in de weg. We komen laat aan in Kigali, waar we de verhalen aanhoren van de arts die juist uit Burundi komt. Hij vertelt van de slachtpartijen. Voor het eerst sedert jaren steek ik weer een sigaret op en ik moet denken aan de ontwikkelingswerker die ik op het vliegveld ontmoette. Hij vertelde me dat hij ook weer was gaan roken.

Morgen naar Zaïre en 's avonds naar de Rotary in Kigali. Zaterdag terug naar Nederland, met mijn verhaal.... Ik slaap in bij het geluid van de regen.

SOS-Kinderdorpen, postbus 9104, 1006 AC Amsterdam, 020 4080190