Harry Truman (1884-1972); Uit de schaduw van FDR

ROBERT A. FERRELL: Harry Truman. A Life

484 blz., geïll., University of Missouri Press 1994, ƒ 56,70

Op de populariteitslijstjes die Amerikanen graag over hun presidenten aanleggen, vertoont Harry S. Truman zo'n stijging dat met recht gesproken kan worden van een 'Great Harry Truman Revival'. Deze publieke herwaardering krijgt een duidelijke navolging in de recente Amerikaanse geschiedschrijving. In 1992 verscheen een kloeke biografie, Truman, van David McCullough dat twee jaar in de Amerikaanse boeken-toptien vertoefde. Gezaghebbende Amerikaanse historici als Alonzo Hamby en William Leuchtenburg zijn momenteel bezig met een biografie over de president, en enkele maanden geleden liet de maestro onder de 'Truman-kenners', Robert A. Ferrell, zijn alomvattende Harry S. Truman: A Life het licht zien.

Ferrell heeft misschien het meeste recht van spreken bij de beoordeling van de vraag waarom Truman zo'n appreciatie ten deel valt. Behalve dat hij reeds acht boeken over de opvolger van Roosevelt heeft gepubliceerd en met de redactie van de persoonlijke aantekeningen van Truman in Off the Record wereldfaam verwierf, heeft zijn carrière vooral in het teken gestaan van zijn werkzaamheden in de Truman Library in Indepence, Missouri. Ontelbare briefwisselingen, egodocumenten en andere bronnen die betrekking hebben op het leven van de president, heeft hij gerubriceerd, geïndexeerd en toegankelijk gemaakt. Deze betrokkenheid leidde ertoe dat Ferrells eerdere publikaties over Truman door een zekere afstandelijkheid werden gekenmerkt. Hij liet het vaak vurige debat tussen traditionalisten en revisionisten over het ontstaan van de Koude Oorlog grotendeels aan zich voorbijgaan, omdat hij over materiaal beschikte dat nog niet mocht worden openbaargemaakt.

Dieptepunt

Harry S. Truman: A Life is nu van Ferrells eerdere professionele schroom ontdaan. Op bijna speelse wijze, rekening houdend met de historiografische stromingen, geeft hij een verklaring voor de tegenstelling tussen Trumans huidige imago van een volksheld en het negatieve beeld dat de Amerikanen van hem hadden toen hij in 1953 het Witte Huis verliet. Aan het einde van zijn ambtstermijn was zijn populariteit gedaald tot een ongeëvenaard dieptepunt en in de Amerikaanse media werd hij afgebeeld als een kolderieke stripfiguur. Zijn hele presidentschap lang werd van hem gezegd dat hij niet in staat was zich van Roosevelts schaduw te ontdoen. Bijna algemeen luidde de opvatting dat waar Roosevelt de verdeeldheid binnen de Democratische Partij achter een façade van glans had kunnen verhullen, de onzekere Truman de politieke tegenstellingen juist accentueerde, met als gevolg dat in 1946 zowel in de Senaat als in het Huis van Afgevaardigden een Republikeinse meerderheid werd gekozen.

Met de toenemende skepsis tegenover het 'Borgia-achtige' regeren van Roosevelt werd het historische oordeel over Truman milder. Men vindt het nu onvoorstelbaar dat, met de Conferentie van Potsdam in het vooruitzicht, Truman slechts twee keer met Roosevelt had gesproken, beter gezegd: door hem was ontboden en er heerst nu meer begrip voor het gevoel van verlatenheid dat vice-president Truman beving toen Roosevelt op 12 april 1945 overleed en hij, onvoorbereid, het presidentschap overnam.

Ferrell kritiseert de gevestigde mening dat Truman gebukt ging onder de nalatenschap van zijn voorganger. Op basis van nieuw archiefmateriaal toont hij aan dat Truman zich achter de façade van onzekerheid krachtig van de New-Deal-erfenis trachtte te ontdoen. Hij verving binnen drie maanden zes ministers van Roosevelt en voelde zich hierdoor geenszins bezwaard. Truman ergerde zich juist aan de 'Rooseveltianen' in zijn kabinet. In een door Ferrell ontdekte brief uit 1950 omschreef Truman Roosevelts kabinet als “een stelletje onbenullen, prima donna's, deloyaal en alleen maar geïnteresseerd in zichzelf in plaats van in het publieke belang”. In de wetenschap dat zo'n brief het daglicht niet kon verdragen besloot Truman hem achter te houden.

Truman voelde zich niet minder, maar anders dan Roosevelt. Hij maakte een duidelijk onderscheid tussen “Harry, de man uit Missouri, de vroegere varkensboer en eigenaar van een herenmodezaak, en Harry S. Truman, de eerste burger van het land”. Hij verkondigde vaak dat vele Amerikanen een betere president zouden zijn dan hij en bijna verontschuldigend liet hij weten dat hij niet meer dan zijn best kon doen en het ambt alleen op basis van rechtschapenheid en openheid kon bekleden.

Anders dan Roosevelt was het uitspelen van partijen en personen tegen elkaar hem vreemd en dit verklaart onder meer waarom Truman op binnenlands politiek terrein weinig voorstellen tot wet verheven zag worden. Bovendien associeerde hij het presidentschap zo sterk met zijn eigen karakter dat zijn optreden eerder door persoonlijke dan door politieke motieven leek ingegeven. James Roosevelt, de zoon van Franklin Delano, werd heel direct met die eigenschappen geconfronteerd. Onder leiding van Roosevelt jr. hadden Trumans schijnbare politieke geestverwanten reeds in 1947 generaal Dwight Eisenhower benaderd met de vraag of deze zich kandidaat wilde stellen voor de Democratische Partij in de verkiezingen van 1948. Toen Truman de zoon van zijn voorganger ontmoette gaf hij hem krachtig te verstaan dat zijn vader hem als vice-president had uitverkoren en dat “jouw actie daarom niet tegen mij maar tegen de nagedachtenis van je vader indruist”.

Politieke overwegingen leken Truman inderdaad vreemd te zijn. Het relatieve gemak waarmee hij het ontslag regisseerde van politieke coryfeeën als Henry Wallace, Jimmy Byrnes, Jesse H. Jones, of generaal MacArthur, stond haaks op de koppigheid waarmee hij zijn naaste medewerkers verdedigde die verwikkeld waren in enkele zwart-geldschandalen.

Trumans eigenzinnigheid bracht hem ook voordelen. Toen hij met de herverkiezingscampagne in het vooruitzicht op impulsieve wijze te kennen gaf in zijn tweede termijn een actief burgerrechtenbeleid te willen voeren, gaf niemand iets voor zijn politieke kansen. Bovendien kwam zijn plotselinge sympathie voor de zwarten bij menigeen als onnozel over. Hem was een verhaal ter ore gekomen dat een zwarte soldaat bij zijn thuiskomst door blanken was afgetuigd en “dat raakt mij zeer en kan ik als president niet tolereren”. Terwijl de Chicago Daily Tribune op 3 november 1948 de bekende kop 'Dewey defeats Truman' op de voorpagina had afgedrukt, bleek die eigenzinnigheid toch vruchten te hebben afgeworpen en sleepte Truman tot ieders verbazing de overwinning in de wacht.

Met zijn herkiezing ontdeed hij zich definitief van Roosevelts schaduw. Waar FDR in 1940 en 1944 was herkozen als leider van de natie in oorlogstijd en zijn New-Deal-coalitie van minderheden aan politieke kracht had ingeboet, wist HST in 1948 de New-Deal-coalitie te reanimeren door zowel de vakbonden als de zwarte kiezers aan zich te binden. Terwijl Trumans binnenlandse beleid in vergelijking met dat van zijn voorganger als weinig succesvol werd getypeerd, kan het evenzeer worden opgevat als een succesvolle afronding van dat beleid. Sterker: de desegregatie van het leger, het huisvestingsbeleid en, het belangrijkste, 'The Employment Act' waarmee de overheid een op Keynesiaanse leest geschoeid werkgelegenheidsbeleid opzette, kan worden beschouwd als een afronding van het sociaal-economische beleid onder Roosevelt èn als een inleiding op Lyndon Johnsons Great Society van de jaren zestig.

Trumans dalende populariteit na 1948 was het gevolg van zijn Verre-Oosten-politiek. Terwijl zijn politiek tegenover Europa zeer succesvol was, zagen de Republikeinen met de communistische machtsovername in China en de Koreaanse Oorlog hun kans schoon het politieke monopolie van de Democraten te doorbreken. Met hun verwijt dat Truman en de Democraten soft on communism waren, leken de Republikeinen al vroeg tijdens Trumans tweede termijn de zege in 1952 te hebben zekergesteld. Het opkomende McCarthyisme was niet meer dan een irrationele reactie tegen de New en Fair Deal, en Truman zelf was verantwoordelijk voor de beschadiging die het McCarthyisme zijn presidentschap toebracht. De ongegronde vrees in 1946 dat het Amerikaanse ambtenarenapparaat met communisten 'bevuild' was, had hem op 21 maart 1947 Executive Order 9835 doen uitvaardigen, dat toestond overheidspersoneel verdacht van communistische sympathie aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dit zogenoemde loyaliteitsbeleid wakkerde de anti-communistische hysterie juist aan, maar Truman toonde weinig belangstelling voor de negatieve gevolgen van het loyaliteitsprogramma. Die desinteresse verdraagt zich niet met de door Ferrell aan de president toegedichte waarden van integriteit en rechtvaardigheid, waardoor het oordeel van de auteur over Trumans binnenlandse politiek mild uitvalt. Ferrell associeert de neergang van Trumans presidentschap meer met de Koreaanse oorlog dan met het door de overheid geformaliseerde anti-communistische beleid.

Op basis van nieuw archiefmateriaal heeft Ferrell reden de Koreaanse oorlog als hèt schisma tussen Trumans presidentschap en de Amerikaanse natie te beschouwen. Toen generaal Douglas MacArthur wegens zijn aanhoudende kritiek op de regering in 1951 ontslagen werd, ging er een golf van verontwaardiging door het land die zich expliciet op de persoon Truman richtte.

Bijna hysterisch

Het ontslag van de generaal, 'Mr. Prima Donna, Brass Hot, Five Star MacArthur', viel Truman echter minder zwaar dan menigeen verondersteld heeft, omdat hij MacArthurs politieke neiging als een bedreiging van de democratische orde opvatte. Als eerste president in een nucleair tijdperk was hij zich zeer bewust van het gevaar van een te grote invloed van militairen en, zoals Ferrell aantoont, reageerde hij tijdens kabinetszittingen bijna hysterisch als een generaal blijk gaf van een te onafhankelijke opvatting. Truman gebruikte de atoombommen op Japan alleen om de oorlog snel te beëindigen en tijdens latere lezingen in de Truman Library kon hij zeer geëmotioneerd raken als het nucleaire vraagstuk ter sprake kwam.

Het is daarom nogal wrang dat president Clinton onlangs een commissie heeft ingesteld die moet onderzoeken in welke mate de Amerikaanse overheid in het begin van de jaren vijftig op de hoogte was van militaire experimenten waarin proefpersonen werden gebruikt om de gevolgen van straling te meten. Wat zo'n onderzoek ook mag opleveren, Ferrells uitstekende biografie maakt het aannemelijk dat Truman hiervan niet op de hoogte was of dat hij, als hij dat wel zou hebben geweten, er zeker tegen zou zijn opgetreden.