Geboren worden zonder kansen

ALKMAAR, 8 APRIL. “Soms is het leven bedreigender dan de dood”, zei dr. C. Versluys een klein jaar geleden. Versluys, gespecialiseerd in medische vragen rondom pasgeborenen, reageerde daarmee op de strafvervolging die het openbaar ministerie had ingesteld tegen de 49-jarige gynaecoloog H. Prins. De arts, verbonden aan het Waterland Ziekenhuis in Purmerend, moet aanstaande woensdag voor de rechtbank in Alkmaar tekst en uitleg geven omdat hij op 25 maart 1993 met twee spuitjes het leven beëindigde van een zeer ernstig gehandicapte baby die drie dagen eerder ter wereld was gekomen. De zaak komt voor de rechter na een aanwijzing van minister Sorgdrager (justitie).

Na drie dagen 'hel op aarde' waren de ouders van het meisje en de behandelende artsen het er unaniem over eens dat aan de onbehandelbare pijnen die het meisje leed, een einde moest komen. Ze was geboren met een waterhoofd, een open ruggetje, nauwelijks ontwikkelde hersenen, een dwarslaesie en misvormde benen en voeten. Volgens de specialisten die Prins raadpleegde, onder wie een neuroloog en een neurochirurg, had het kind nooit kunnen lopen en zou het permanent pijn lijden. Bovendien zou de baby, zo stond in de diagnoses, hooguit nog een jaar in leven blijven en een leven als “een slapend plantje” leiden. Pijnstillers zouden niet veel helpen; bovendien zou het kind door de grote dosis die noodzakelijk zou zijn, vermoedelijk het bewustzijn verliezen. De gynaecoloog voerde de handeling uit omdat de kinderarts, die het eens was met de medische beslissing, geestelijke problemen had met de uitvoering ervan.

Volgens Prins waren de ouders zelf over de handeling begonnen. “Ze zeiden dat ze er al tijdens de zwangerschap over hadden gepraat en wilden van meet af aan voorkomen dat hun kind onnodig en onaanvaardbaar zou lijden”, zei Prins onlangs. “In eerste instantie probeer je als arts dan beslissende woorden te vermijden. Maar later, na overleg met collega's en de neurochirurg van buiten de eigen kring, was actief ingrijpen de enige uitweg uit het lijden.” Na de injecties gaf Prins de 'onnatuurlijke dood' van het meisje zelf aan bij het openbaar ministerie.

Minister Sorgdrager gaf het openbaar ministerie pas vorig jaar december de opdracht Prins te vervolgen. De vergadering van procureurs-generaal van het OM had het dossier-Prins al terzijde geschoven omdat het na bestudering van zijn aangifte tot de conclusie was gekomen dat de gynaecoloog zorgvuldig had gehandeld. Ook Sorgdrager lijkt daar niet aan te twijfelen. Zij liet weten dat de rechtszaak niet is bedoeld om eventueel laakbaar medisch handelen van de arts aan de kaak te stellen, maar om jurisprudentie uit te lokken. In de regelgeving inzake euthanasie en hulp bij zelfdoding wordt louter gerept van de uitdrukkelijke wens van de patiënt. Omdat die wilsuiting bij pasgeborenen niet aan de orde is is er geen sprake van zijn euthanasie.

In 1989 behandelde de Hoge Raad een min of meer vergelijkbare zaak, maar tot een principieel inhoudelijke uitspraak over de toelaatbaarheid van dergelijk medisch handelen bij pasgeborenen kwam het niet. De Rotterdamse kinderchirurg J.C. Molenaar werd destijds buiten vervolging gesteld nadat hij, conform de wens van de ouders, in 1985 had besloten een pasgeboren mongoloïde kind niet te opereren. De baby overleed enkele dagen later.

In 1990 onderzocht het OM in Den Haag een zaak waarbij een drie maanden oude, ernstig gehandicapte baby was overleden in het Reinier de Graaf Gasthuis in Delft. De hoofdofficier van justitie besloot geen vervolging in te stellen tegen de arts. Vastgesteld was, zo schreef toenmalig minister van justitie Hirsch Ballin in antwoord op Kamervragen, dat er geen enkele kans op herstel was. Toen de arts was begonnen met het toedienen van pijnbestrijdende middelen overleed de baby, sneller dan verwacht. Het was niet mogelijk, concludeerde de hoofdofficier destijds, een causaal verband vast te stellen tussen het handelen van de arts en het intreden van de dood. Minister Hirsch Ballin was te laat op de hoogte van de zaak om, net als Sorgdrager nu, het OM opdracht te geven de arts te vervolgen.

De behoefte aan meer duidelijkheid over de toelaatbaarheid van het ingrijpen of het afzien van een medische behandeling door artsen is sindsdien alleen maar toegenomen, benadrukken verschillende betrokkenen. Consensus over de grenzen van het medisch handelen bestaat niet binnen de beroepsgroep van kinderartsen. De ene arts zal de finale handeling wel verrichten, de ander zal eerder proberen met medicijnen de pijn van het kind te bestrijden en wellicht 'hopen dat het overlijdt', zoals een arts het onlangs uitdrukte. De gynaecoloog Prins koos er bewust voor zich niet in dit 'schemergebied' te begeven, omdat daar zijns inziens niemand mee gediend is. Hem staat onherroepelijk de lange weg naar de Hoge Raad te wachten.

Actieve levensbeëindiging van pasgeborenen komt slechts hoogst uitzonderlijk voor, luidde in 1991 de conclusie van de commissie-Remmelink, die onderzoek had gedaan naar de euthanasiepraktijk in Nederland. Versluys, voorzitter van een werkgroep die in 1992 een onderzoek rapport schreef over medisch handelen in de neonatologie, schat dat jaarlijks ongeveer tien keer opzettelijk het leven van een pasgeborene wordt beëindigd door een arts. De meeste baby's die zo zwaar defect zijn als het kind in Purmerend, komen niet levend ter wereld. Het besluit om pasgeborenen met vergelijkbaar ernstige afwijkingen niet te behandelen, komt volgens hem veel vaker voor, tot tweehonderd keer per jaar, aldus Versluys.