Franse socioloog Alain Touraine voorziet periode van agitatie; Wij zijn weeskinderen van de staat

Over twee weken is in Frankrijk de eerste ronde van de presidentsverkiezingen. Nog steeds heeft bijna de helft van de kiezers geen idee op wie zij gaan stemmen en wordt er - ongebruikelijk in verkiezingstijd - in steeds meer sectoren gestaakt. Alain Touraine , gezaghebbend socioloog, voorspelt een periode van grote sociale onrust. Het Franse model is uitgeput.

In Parijs werd woensdag de volgende aflevering van het Crédit Lyonnais-drama bekend. Alleen over 1994 verloor de grootste bank van Europa al 4 miljard gulden, tweeëneenhalf keer zo veel als het tekort dat de Bank of England deed besluiten Barings Bank voor één gulden te koop te zetten. De Franse belastingbetaler, die opdraait voor de avonturen van een paar op hol geslagen staatsbankiers, reageerde gelaten. Dit kan er ook nog wel bij.

“Hèt basisprobleem van Frankrijk is dat wij een systeem hebben waarin de staat een centrale rol speelt, terwijl die staat de koers kwijt is. Het systeem heeft sinds de Tweede Wereldoorlog vijfentwintig jaar goed gefunctioneerd. Maar sinds de oliecrisis verliest het in toenemende mate zijn doelmatigheid. Dit land wil niet liberaal zijn en slaagt er niet in sociaal-democratisch te worden.”

Alain Touraine is een van de zeldzame Fransen die bevoegd over Frankrijk kunnen praten èn met kennis van de buitenwereld. De uitvinder van de actie-sociologie uit de jaren zestig en van het begrip 'post-industriële samenleving' is een deskundige in de sociale geschiedenis van Zuid-Amerika die Spaans en Portugees spreekt. Daarnaast schreef hij ook over Polen, studeerde en doceerde in de Verenigde Staten en verwijst naar Johan van Oldenbarnevelt om de eigenaardigheden van de Franse democratie uit te leggen.

“Vooral na de Tweede Wereldoorlog werkte het Franse systeem goed. Het werd gedreven door politici, meestal ambtenaren van huis uit, die vaak afkomstig waren uit het verzet. Het waren mensen met oprecht sociale en nationale motieven: zij wilden het land weer op de been helpen, met meer sociale rechtvaardigheid dan voorheen. Zij kwamen van zowel rechts als links, maar waren allen bezield van vernieuwingsdrift en hadden een scherpe visie op de rol van de staat.

“Tot ver in de jaren zeventig was het Franse model perfect in staat prioriteiten te stellen en de bevolking te mobiliseren. Men legde in een hoog tempo mijnen, spoorwegen en cementfabrieken aan en verhief het levensniveau van de arbeiders. Die konden voor het eerst ijskasten en auto's kopen, betrekkelijk eenvoudige zaken. Toen men zich moest aanpassen aan een ingewikkelder en flexibeler wereld, liep het Franse systeem steeds minder goed.

“O zeker, de hoge snelheidstrein en het nucleaire programma werden nog ontwikkeld, maar het ging toch steeds minder vanzelfsprekend. Fransen kregen er zelf moeite mee. Kernenergie is niet voor iedereen een logische stap. De TGV's zijn mooi, maar de Franse Spoorwegen worden slecht geleid en maken meer verlies dan welke collega in het buitenland ook. Air France verliest handen vol geld en Crédit Lyonnais nog meer. Frankrijk wordt, zoals de hele wereld, in de richting van het liberale model gesleept. Dat model heeft veel voordelen, maar de sterkeren eten de zwakkeren op, de sociale ongelijkheid neemt toe en steeds meer mensen vallen buiten de boot. Daar heeft óók Frankijk geen afdoende antwoord op.

“Sociaal-democratische landen bestrijden die nadelen door te onderhandelen. De Duitsers slagen daar goed in. De bonden zijn sterk, de werkgevers zijn sterk, veel macht is gedecentraliseerd naar de Länder, en de staat interveniëert intelligent. Duitsland is geliberaliseerd en gemondialiseerd. In Frankrijk is dat totaal niet gelukt. Dit land kan voorhoede-projecten van wetenschap en techniek lanceren, beter nog dan Duitsland. Maar in de kunst van het veranderen zijn Fransen uitgesproken slecht. Het unieke Franse model van de volksvorst die naar een maakbare samenleving streeft, is aan het einde van zijn latijn.

“In Frankrijk is de staat altijd belangrijker geweest dan de samenleving. De politiek heeft van oudsher het sociale gedicteerd en niet andersom, zoals in Noord-Europa, waar het sociale de politiek stuurt. Vandaar de desoriëntatie. Vandaar het gemis aan een nieuw Frans model. De huidige verkiezingscampagnes worden beheerst door die leegte. Ik heb geen idee waar de presidentsverkiezingen over gaan. Wat denken Chirac, Balladur of Jospin? Echt, ik heb geen idee. Vraag mensen op straat of het uitmaakt of Balladur of Chirac president wordt. Zij weten het niet. Dus praat iedereen maar over het appelboompje op Chiracs programma, of zijn voorliefde voor het eten van tête de veau (kalfshoofd), waar Balladur zijn neus voor ophaalt. Ik ben een eenvoudig mens. Als ik een nette heer als Balladur op een tafel zie klimmen, dan denk ik niet: wat een hol vat. Dan denk ik: hij en zijn collega's hebben eenvoudigweg geen politiek antwoord op dè vraag die nu in Frankrijk speelt: 'moeten wij ons verder in liberale richting ontwikkelen, en zo ja, hoe?'

“Verder liberaliseren betekent: de publieke sector kleiner maken, de publieke monopolies opdoeken, afrekenen met allerlei soorten protectionisme en tegelijk opnieuw beginnen om de strijd tegen de armoede en de marginalisering aan te pakken, een meer gastvrije samenleving voor minderheden op te bouwen. Kortom de excessen van het liberalisme aanpakken. Je ziet hoe ver het in Engeland is gekomen: als zij daar morgen mochten stemmen, zou het Labour-topman Tony Blair worden. In Duitsland regeert al heel lang een soort brede coalitie, in samenhang met de deelstaten. Frankrijk is niet genoeg geliberaliseerd èn niet genoeg een verrassende kracht. Nu het met de economie beter gaat - Frankrijk heeft al een wat opener economie, niet zoals Nederland, maar de export is toch aanzienlijk - wordt de sociale kwestie weer belangrijk. Dat is normaal. Alleen, er is geen helder beeld van de staat. Daarom weet dit land er niet mee om te springen.”

Vindt u het als nominale aanhanger van de vorige leider van de socialisten, Michel Rocard, verstandig van de huidige socialistische kandidaat Jospin dat hij met een fors linkse aanpak zijn kansen tracht te redden?

“Voorlopig is ruim zestig procent van de Fransen van plan rechts te stemmen. Laten we vriendelijk zijn en Jospin 22 procent toedenken. Dan komt daar acht procent voor de communist Hue bij, vijf procent voor de arbeiders-socialiste Arlette Laguiller, twee procent voor de Groene Dominique Voynet. Dan kom je op 37 procent. De kansen van Jospin zijn dus nul. Zijn enige hoop is dat hij na afloop van de verkiezingen zijn eigen partij in handen krijgt. Ik geloof daar niet in, maar dat terzijde. Hij probeert nu wat communisten aan te trekken om de tweede ronde te halen. Het is de vraag of hem dat helpt. Ik heb geen enkele zin een kandidaat te verdedigen die communisten in zijn regering wil halen. Ik was al tegenstander van het programme commun waarmee Mitterrand zich aan de communisten verkocht om aan de macht te komen. Uit tactisch oogpunt vind ik wat Jospin doet eerlijk gezegd belachelijk. Hij doet typisch uitspraken van iemand die geen kans maakt en het weet. Volstrekt onverantwoordelijk.”

Waar komt dat Franse gebrek aan vaardigheid in het onderhandelen met zichzelf uit voort?

“Uit de rol van de staat.”

Waarom heeft de staat altijd die dominante rol kunnen spelen?

“Historisch gezien is het hier bij de strijd om de macht altijd om drie personages gegaan: het volk, vertegenwoordigd door de middenklasse, de aristocratie en de staat. Tussen deze spelers zijn er twee coalities mogelijk. De eerste is die van de aristocratie en de bourgeoisie tegen de staat. In Engeland hebben de aristocraten met het volk samengespannen tegen de staat. Door twee koningen te onthoofden heeft men de democratie gevestigd. Bij u in Nederland is hetzelfde model gevolgd, maar het was eenvoudiger, want de staat was Spaans. Meneer van Oldenbarnevelt en dat soort mensen hebben een nationale volkscoalitie tegen de Spanjaarden gesmeed.

“De tweede coalitie hebben we in Frankrijk, waar het volk en de koning tegen de aristocratie hebben samengespannen en de hoofden van alle aristocraten hebben afgehakt. Napoleon, De Gaulle, de communistische partij, iedereen heeft bijgedragen tot het instellen van de door het volk gedragen staat, de revolutionaire staat. Duitsland heeft min of meer het Franse model gevolgd, zij het dat Bismarck daar de derde oplossing heeft geprobeerd, de samenwerking tussen vorst, volk en aristocratie. Dat heeft tot extreem nationalisme en fascisme geleid.

De Franse oplossing, het étatisme, is het volstrekte tegendeel van de Hollands-Engelse traditie waar de staat is gemarginaliseerd. Dat brengt een ander soort maatschappij met zich mee, met andere waarden. Aan ons soort samenleving zitten niet alleen maar zwakkere kanten. Maar die sterke staat kan alleen bestaan als aan twee voorwaarden is voldaan. Er moet een sterk nationaal geweten zijn, zoals bijvoorbeeld in de herstelfase na de Tweede Wereldoorlog, of in Spanje na de val van Franco. Met de globalisering en de Europeanisering is het thema van de nationale staat verzwakt. Net als elders trouwens.

“Bovendien moet die staat door het volk worden gedragen. De Gaulle was niet populair, maar door zijn verzetsverleden en door het erkennen van de vakbeweging en het recht op arbeid kon hij op nationale steun rekenen. De communistische partij en een deel van de intelligentsia hebben mee gestalte gegeven aan dat vitale element van de état populaire. Het is verdampt en er is niets voor in de plaats gekomen. De Parti Socialiste is absoluut geen volkspartij. Van De Gaulle tot Chirac is de RPR-partij wel populistisch maar niet van het volk geweest. Het Franse model van de maakbare en beheersbare samenleving staat alleen. Geen enkel ander land gelooft er in. Frankrijk houdt zich er zelf niet meer aan. Sinds 1983 gaat Frankijk de meeste andere landen achterna. De keus is gemaakt, gelukkig. De dominante staat die alles kon, is voorbij.

“Mitterrand heeft uit een soort nostalgie aan dat model vastgehouden. Hij geloofde in dat model zonder er in te geloven. Hij was enerzijds een liberaal, hij heeft het land gedecentraliseerd, de informatie-voorziening geliberaliseerd en hij is vooral overtuigd pro-Europeaan geweest. Aan de andere kant heeft hij het oude model vastgehouden, dat verlammend werkte en zich niet kon handhaven. Een volksfront redt het niet in een liberaal, open Europa als er geen oorlogsdreiging is van Sovjet-communisten of een Hitler.”

Waren de miljarden verslindende avonturen van de staatsbank Crédit Lyonnais voorspelbaar of onvermijdelijk, gegeven de aard en de dominante rol van de enige aandeelhouder?

“Crédit Lyonnais demonstreert het uitgeput raken van ons systeem. Net zoals in Italië. Het gaat om een mengsel van elementen die je ook ziet in landen als Mexico en Brazilië. Een model waarin grote ondernemingen, binnen en buiten de directe greep van de staat opereren in een schemergebied tussen economie en politiek, in een klimaat van cliëntelisme en een gebrek aan controle. Daar gebeuren zulke dingen.”

In een fel artikel in Le Monde (30 maart 94) riep Touraine zijn landgenoten op een nieuw soort verzorgingsstaat in te richten. Hij schrijft dat Frankrijk door zijn verstikkende corporatisme en een algemeen onvermogen te analyseren, nieuwe dingen te bedenken en te besluiten, de boot dreigt te missen. Eén observatie maakte dat artikel nog opmerkelijker in de Franse context: “De Franse samenleving leeft op het ogenblik als slachtoffer, nooit als dader. Ze klaagt over de bedreigingen die van buiten komen. Ze probeert nooit haar vermogen om initiatieven te nemen, te vergroten.”

Waar komt die slachtoffer-houding uit voort?

“Mensen die zich als slachtoffer gedragen zeggen in feite: ik heb geen plan. Zij kunnen geen doelstellingen bepalen. Fransen zeggen het niet hardop, maar zij weten het. Zij hebben geen plan voor bestrijding van de werkloosheid, geen bijzondere opvatting over justitie - behalve afschaffing van de doodstraf, maar dat is niet uniek. Er is niet veel anders waar zij belangrijke ideeën over hebben. Misschien iets meer dan in Italië, dat bezig is ineen te storten. Hoewel, misschien zijn de Italianen bezig een echt nieuw politiek stelsel te construeren.

“Ik schreef dat artikel na de GATT-onderhandelingen. Die vormden een uitzondering, want die waren goed voor de eenheid van het volk. Het was het moment van een soort nationale mobilisatie...”

Die in het buitenland nauwelijks begrepen werd.

“Per definitie. Des te beter. Wie het absolute liberalisme verdedigt, zegt: Europa bestaat dankzij het feit dat Frankrijk al dertig jaar tegen het liberalisme vecht. Nederland wil die Engelse ultra-liberale tendens wel volgen, maar u kunt het niet, want u zit in de D-mark zone. Nederland is een afzetgebied van de Duitse economie. Bovendien ontbreekt het u aan echt enthousiasme voor het liberalisme. De Duitsers hebben gelukkig de weg van het politieke Europa gekozen. Alléén zou Frankrijk er niet in geslaagd zijn dat tot stand te brengen. De Fransen zijn massaal gehecht aan het thema van het politieke Europa, in weerwil van de stompzinnigheden die er hier en daar over te berde worden gebracht.

“Frankrijk is tegenwoordig het enige land met een audiovisuele industrie. In Duitsland is het voorbij, in Italië idem dito, in Engeland is het niet anders,toch wel storend. Dat wil niet zeggen dat Frankrijk een oplossing heeft. Het is absoluut niet duidelijk of we er in slagen Europese tv-programma's te maken.Maar je kunt beter wel vechten dan niet, al zitten daar onmiskenbaar irrationele aspecten aan. De Fransen zijn het nogal met elkaar eens over hun strijd tegen audiovisuele overheersing. Bij uitzondering. Voor de rest hebben we weinig ideeën over sociale rechtvaardigheid, over onderwijs. Fransen zijn een beetje zoals de andere volkeren in de omgeving: onzeker over alles.

“Ongeveer het enige dat zij weten is dat zij tegen het protestants individualisme zoals in Nederland zijn. Daar staan Fransen erg ver van af. Maar zij hebben er niet veel tegenover te stellen. Zij zeggen: ik hou niet van het Nederlandse euthanasie-beleid, of het laisser-faire drugsbeleid. Fransen zouden het zo anders willen doen, als zij konden. Maar zij hebben geen concreet alternatief. Veel Fransen zijn zich er heus wel van bewust dat zij in een model zitten dat 'Nee, nee, nee' zegt, dat traditionalistisch is, niet levend. Frankrijk heeft een gebrek aan ideeën, aan een programma dat politiek mobiliseert.

“Ik dramatiseer de zaak niet. Ik zeg niet dat Frankrijk in crisis is of aan twijfel ten onder gaat. Het is een land dat zweeft, dat niet klaar staat om iets aan te pakken. Van de weeromstuit trekt het zich maar terug op humanitaire, morele en individualistische waarden, op cocooning, of Rwanda. Dat gaat heel goed samen. Het komt in de meeste westerse landen voor, maar het is hier erger omdat dit een fundamenteel politiek ingesteld land is dat volstrekt gedepolitiseerd is. Niemand gelooft in de politiek. Een politicus wordt beschouwd als een oplichter. In Italië is dat ook het geval, maar dat is nooit zo'n politiek land geweest.

“Omdat ik zou willen dat Frankrijk verandert, ben ik niet zo treurig over deze crisis van de politiek. Het betekent dat de samenleving herboren tevoorschijn kan komen. Het zou logisch zijn. Wij zijn weeskinderen van de door het volk gedragen staat. De Fransen dromen nog steeds van de revolutie.”

Zowel Chirac als Jospin trachten kiezers een ouderwets en tegelijk modern gevoel te geven door zich op te werpen als beschermheer van de 'waarden van de republiek'. Wat betekent dat in 1995?

“Dat is geen nostalgie, het is een ronduit reactionaire houding. De republikeinse ideologie is ontstaan aan het eind van de negentiende eeuw, tegen de aristocratie en tegen de arbeiders.

“Tegenwoordig is het de ideologie van de ambtenaar, van hoog tot laag. Als Chirac en Jospin strijden om de eer van de republikeinse waarden, dan is dat 'la vieille France'. Als je het platteland wilt redden, of kathedralen - waar ik helemaal voor ben - dan kom je ook met 'republikeinse waarden' aanzetten. Die pseudo-moderne wereld is in werkelijkheid archaïserend.

“Ik ben socioloog, dus ik kijk bij voorkeur naar concrete dingen. Ik zeg tegen de Fransen: het is mooi wat u allemaal zegt te willen, maar wat doet u concreet voor vrouwen, immigranten, homoseksuelen en andere minderheden? Herstelt u de gelijkheid van kansen op scholen? Ik hou van feitelijke antwoorden, niet van borrelpraat. En de concrete antwoorden van de Fransen bevallen me niet. Zij glijden over de werkelijkheid heen en verdedigen liever de ideologie van de voormalige middenklasse.”

Touraine, de geëngageerde

Alain Touraine (69) fungeert in Frankrijk steeds vaker als wijze: hij adviseert over de Franse economie, nationaliteit en integratie, de medische ethiek, het hoger onderwijs en duurzame ontwikkeling (voor de Wereld Bank). Touraine is 'directeur d'études' aan een van de grandes écoles van Frankrijk, de EHESS, de Ecole des Hautes Etudes et Sciences Sociales in Parijs. Hij stichtte daar het 'Laboratoire de Sociologie Industrielle', later het 'Centre d'Etudes des Mouvements Sociaux'. Sinds 1981 heet het 'Centre d'Analyse et d'Intervention Sociologiques', waar Touraine tot 1993 directeur van was. Touraine heeft geschiedenis en sociologie gestudeerd. De bekende Franse historicus Jacques Le Goff herinnert zich in het liber amicorum Penser le Sujet. Autour d'Alain Touraine (Fayard 1995) hoe zij in 1950 samen vierde werden bij het eindexamen van hun jaar aan de Ecole Normale Supérieure. Voorzitter van de jury was de historicus Fernand Braudel. De dierbare herinnering belet Le Goff niet vast te stellen dat Touraine vooral in geschiedenis geïnteresseerd is als er wat te beleven valt. “Touraine, de geëngageerde, Touraine, de actievoerder, raakt onwel in een conservatieve samenleving, waarin de benauwde elites ieder contact met de maatschappij vermijden uit angst in de veranderingen te worden meegesleept. Diezelfde Touraine, de socioloog, roept de geschiedenis te hulp om openingen en veranderingen te produceren”, aldus Le Goff.

Touraine schreef tientallen boeken, over soorten sociologie, over de arbeiders bij Renault, de mei-beweging van 1968, over Amerikaanse universiteiten (hij werkte aan Harvard, Columbia en Chicago), over Solidarnosc in Polen. Historisch-sociologisch werk: Un désir d'histoire (Seuil 1978), en La Parole et le Sang (over Latijns-Amerika), Odile Jacob (1988). De laatste jaren gaat Touraine meer de filosofisch-staatkundige kant op: Critique de la Modernité (Fayard 1992) en Qu'est-ce que la démocratie? (Fayard 1994).