Een boek vol glinsterende groene kereltjes met staarten

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: Een moderne Antonius (1960)

Brieven rond de Vestdijk-biografie, samengesteld door Hans Visser, bevat een schrijven van Willy Corsari. Zij zegt daarin dat Ans Koster, de levensgezellin van Vestdijk, zich verzette tegen diens verhouding met Henriëtte van Eyk met behulp van 'zwarte magie.' Op die boude veronderstelling laat zij volgen: “En Simon kon daar niet tegenop. Hij geloofde erin. Het mag onwaarschijnlijk lijken, maar ik vind dat niet. Ik heb dikwijls opgemerkt dat mensen die niet aan God geloven, of althans dat verklaren, wél geloven aan de Duivel, althans aan demonen.”

Zou Vestdijk aan de duivel geloofd hebben? Het lijkt weinig waarschijnlijk, maar zoveel is wel zeker: de duivel, duiveltjes, demonen, kwelgeesten spelen een prominente rol in zijn werk. Meestal terloops zoals in De Schandalen, of in De arme Heinrich ('een vuurrood, hinkend en wellustig duiveltje maakte, blazend als een kat, dat het óok de deur uitkwam'), of minder terloops zoals in het verhaal 'De kluizenaar en de duivel'. Soms wordt er alleen maar gerefereerd aan de duivel, zoals in De rimpels van Esther Ornstein waarin Esther opeens een 'duivelin' wordt genoemd. Maar in Een moderne Antonius, een verhaal over een weduwnaar die door visioenen bezocht wordt, beheersen de duivel en duiveltjes de hele roman.

Zo bezoekt de weduwnaar een concert. Als hij na afloop de uitgang opzoekt, en nog even in de zaal naar boven kijkt, ziet hij 'glinsterende, groene kereltjes met vrij korte staarten, die elkaar met hoekige gebaren aanmoedigden; zij waren naakt, voor zover dit groene oppervlak naakt kon heten; hun kopjes waren heel klein.'

Wat mij bij deze daarna nog vele malen optredende, doorgaans schijtende groene kereltjes nu zo verbaast is dat Vestdijk ze steevast aanduidt als 'duiveltjes.' Als ik na een concert kleine, naakte, staartdragende groene kereltjes zou aanschouwen zou ik veeleer denken aan een bijzondere apesoort. Een hedendaags, door film en treurbuis geschoold kind zou allicht het woord 'aliens'in de mond nemen. Waarom gaat Vestdijk er toch zo als vanzelfsprekend vanuit dat zijn weduwnaar 'duiveltjes' hallucineert?

Ik vind die kleine, groene, onzindelijke kereltjes allerminst angstaanjagend. Eerder koddig, grappig, en, zoölogisch gezien, geenszins ondenkbaar, al is de kleur groen daarbij minder waarschijnlijk dan de rode kleur van het vergelijkbare kereltje uit De arme Heinrich. Er zijn vele kleine rode apesoorten.

Mijn vermoeden is overigens dat Vestdijk in Een moderne Antonius op indirekte wijze geschreven heeft over zijn depressies. Zijn weduwnaar, Olivier geheten, zakt na het overlijden van zijn vrouw duidelijk weg in een depressie en herstelt daar ook weer van. Maar Vestdijk heeft die depressie niet als een depressie beschreven, maar als een tijdelijk ontregeld raken van 's mans geestelijke vermogens waardoor er hallucinaties en visioenen optreden. Bij het beschrijven van die visioenen refereert Vestdijk dan steeds aan de befaamde heilige Antonius die ook door visioenen bezocht werd.

Vestdijk beschreef al eerder visioenen. Bijvoorbeeld: de dreigende paraplu's in De redding van Fré Bolderhey, het collectieve visioen in De vijf roeiers, en de hallucinaties van de delirerende Cuperus in hoofdstuk 13 van De koperen tuin. Wat Cuperus hallucineert lijkt daarbij nog het meest op wat Olivier waarneemt, maar Cuperus omschrijft de wezens die hij waarneemt als 'beesten' en 'kikkers'. Vergelijk je nu de hallucinaties van Cuperus, die Vestdijk indrukwekkend en beklemmend beschreef, met die van Olivier, dan blijken die laatste allerminst beklemmend. Waarom? Vanwege dat gebruik van het woord duiveltjes voor kleine, groene kereltjes? Vanwege het feit dat Vestdijk - was hij anaal gefixeerd? - zijn duiveltjes maar steeds laat poepen?

Het is jammer. Een moderne Antonius had een indrukwekkend boek kunnen zijn over iemand die wegzinkt in doffe ellende, maar er weer bovenop komt. Bij tijden is de roman trouwens indrukwekkend. Het droeve begin ademt een beheerste, troosteloze melancholie. Caroli en zijn zoon, trawanten van de duivel, zijn geheimzinnig genoeg, en redder Hammerstein is een echt Vestdijk-personage, een redder die ook evengoed een kwelgeest kan zijn. Daar schort het allemaal niet aan. In het begin van de roman beschrijft Vestdijk, als Olivier in een bos loopt, hoe de weduwnaar achter een boom een vrouw waarneemt. Je weet dan als lezer nog niet zeker of hij die vrouw echt ziet, of haar alleen maar hallucineert. Dat is beklemmend. Wat er later volgt aan visioenen is alleen maar spielerei, het zijn literaire transformaties van Jeroen Bosch-achtige taferelen. Eerder al trouwens leefde Vestdijk zich op vergelijkbare wijze uit in De kellner en de levenden. Maar wie echt in de duivel gelooft, beschrijft ze niet als schijtende groene rhesusaapjes, die schrijft, zoals James Hogg, een boek als The private memoirs and confessions of a justified Sinner. En wie niet meer in de duivel gelooft, maar hem nog wel in een roman wil laten optreden, schrijft een boek als Dr. Faustus waarin de duivel via de omweg van de taal van Maarten Luther - die hem met inktpotten te lijf ging - wordt opgeroepen. Het eigenaardige van Vestdijk is dat hij kennelijk nog juist zoveel in de Satan geloofde dat hij groene kereltjes die kleuters als marsmannetjes zouden kwalificeren, aanduidt als duiveltjes, maar ook weer zo weinig in de Satan dat die groene kereltjes eerder ridicuul dan schrikbarend zijn. Helaas is daardoor Een moderne Antonius een roman geworden die je nooit aan iemand ter lezing moet geven die nog nimmer een roman van Vestdijk las, want zo iemand zal daarna dan ook nooit meer een roman van Vestdijk willen lezen.