'De artsen wouwen dat ze zo'n sterk lichaam hadden als ik'

De klimmer GERT-JAN THEUNISSE stopt met wielrennen. De 32-jarige grillige Brabander heeft voor de zoveelste keer problemen met zijn gezondheid. De doorstroming van de zuurstof naar zijn bloed is onvoldoende. “Toch zeggen de artsen dat de staat van mijn lichaam ontzettend goed is.”

Geert-Jan en Lieske vermeldt het naamplaatje naast de voordeur van hun meer dan 100 jaar oude, sfeerrijke woning in het centrum van Berghem, een rustig kerkdorp van Oss. “Staat er echt Geert-Jan?” Het was de bewoner nog niet eens opgevallen. Officieel heet hij ook zo, maar zo lang hij het zich herinnert is het Gert-Jan. Het zou vermoedelijk alleen Jan zijn geweest, als er geen heilige familie-traditie bestond bij de Theunisse's: iedere neef moest en zou naar opa Gerrit worden genoemd.

“Geert, Gerald, Gerard. Ga maar door. Er zijn er zat. En ik Geert-Jan. Die dubbele naam kan de indruk wekken dat ik uit een bekakt gezin kom. Schei uit. We hadden het niet breed thuis. Drie kinderen, en vader was gewoon uitvoerder in de wegenbouw. Hij kon niet zeggen: 'hier is geld jongen en koop maar een fiets'. Een tubetje en een wieletje waren erg duur. Van familieleden kreeg ik af en toe een gulden, als ik goed gereden had. Was hard nodig, want ik groeide als tiener zo snel dat elke fiets er na twee jaar weer uit moest.”

Op achtjarige leeftijd reed hij zijn eerste wedstrijd. “In 1972 stond ik al op het podium met de bloemekes te zwaaien. Was ik nationaal kampioen bij de jongsten. Eerder was ik voetballer, maar daarmee ben ik gauw gestopt. Ik sloofde me uit en zag dat een aantal anderen niks deed. Daar kan ik niet tegen. Ik ben een individualist. Binnen een wielerploeg pas ik wel, maar dan moet iedereen zijn best doen.”

De fiets was hem meteen alles. “Ik hield van dat karretje, zeker als junior. Ik besteedde er heel veel werk aan. Uren en uren zat ik dat ding te poetsen. En 's nachts, dan zette ik hem naast mijn bedje. Prachtig, die wieletjes, die spaakjes, zeker als je ze met chroom had gepoetst. Een jaar heb ik een keer alles laten polijsten, zodat hij nog mooier glom. Kostte geld, gaf niet, ik ging er in de zomervakantie voor werken. Ik had alles voor de sport over. Vanaf mijn achtste jaar is er, buiten ziektes en blessures, geen dag geweest dat ik niet ben wezen fietsen. Ik spijbelde op de havo. Als twaalfjarige smeerde ik hem in de middagpauze om met een stel jongens hier te gaan trainen. Doorleren kon niet, want ik kwam in de nationale selectie. Heerlijk mee naar buitenlandse etappekoersen.”

Hup Lubberding, riepen toeschouwers hem nogal eens na, wanneer hij als amateur bezig was aan een van aan lange trainingstochten. Hij werd destijds veel vergeleken met die beroemde boerenzoon uit Voorst. Ze leken op elkaar, vooral omdat ze beiden lang blond haar hadden. “Ik kende Henk al heel lang. Hij had verkering met een meiske hier uit Oss. We trainden met elkaar en dan raak je aan de praat. In mijn eerste tijd bij Post heb ik een aantal jaren met hem op de kamer gelegen. Hij mijn voorbeeld? Nee, ik heb nooit een voorbeeld gehad. Je moet toch een beetje proberen jezelf te blijven. Je kunt wel iemands goede of slechte eigenschappen als voorbeeld nemen, maar niet een mens. Je moet niet iemand imiteren, dat geeft geen moraal.”

Als amateur leerde hij in de Amstelploeg veel in buitenlandse wedstrijden. “Ik klom goed, vooral die langere klimmen gingen me goed af. Ik was heel regelmatig. Geen enkele klassieker reed ik buiten de eerste acht, geloof ik. Ik was vaak het sterkste, deed het zware werk, maar was aan het einde niet rap genoeg. Ze profiteerden van me. Ik vond die manier van rijden beter dan afwachten en zitten te linkeballen. Vaak moest ik het gat dichtrijden voor collega's, maar dat vond ik niet erg. Werd ik hard van.”

Bij zijn profdebuut in 1984 kreeg hij een helpersrol bij Raleigh. “Desondanks reed ik in dat eerste seizoen een aantal klassiekers en etappekoersen bij de eerste vijf. Dat jaar had ik de Ronde van Nederland kunnen winnen. De slotetappe zat ik met Hanegraaf drie minuten weg. En ik stond derde. Maar men vond het toen niet horen, dat een neo-prof die Ronde won. Daarom stuurde Post mijn eigen ploeg achter ons aan. Johan Lammerts werd winnaar, geloof ik. Die stond hoger in aanzien, hij had het jaar tevoren de Ronde van Vlaanderen gewonnen.”

In de Ronde van Spanje finishte hij dat seizoen in een zware bergrit bij de eerste tien, herinnert hij zich. “En dat terwijl ik de hele dag voor Millar had gereden. Ik stond er toen helemaal niet bij stil. Ik dacht nog niet aan een beschermde rol. Het was zo vanzelfsprekend dat ik knecht was. Het is goed voor jonge renners dat ze zich de eerste paar jaar voor anderen moeten inspannen. Zodat ze weten wat werken voor een kopman is. Zo waarderen ze meer wat het betekent als ze later voor jou werken.”

Zijn eerste huwelijk liep stuk, mede door het wielrennen. “Ik was zo ontzettend veel met fietsen bezig. Mijn vrouw sportte ook intensief. Ze was Europees kampioen kunst-rolschaatsen of zoiets. Ze moest veel optreden en ze gaf les. En ik was altijd weg of druk. Ze vond ook dat ik eens mee naar een feestje moest. Ik vond dat dat niet kan. Als je profwielrenner bent, moet je er er alles voor doen. Roken of drinken heb ik nooit gedaan. Toen ontmoette ik Lieske. Die voelt alles veel beter aan. Dat is gewoon perfect. Ze komt dan ook uit een wielerfamilie, ze is de dochter van Piet Liebregts, ex-soigneur en oud-ploegleider. Ze heeft van het begin af aan gezegd: 'we gaan er voor, Gert-Jan'. Lekker.”

In 1988 stak Lieske tijdens de Tour de France een aantal kaarsen op in de St.Jan van Den Bosch. Opdat het manlief goed zou vergaan, ver van huis in die gevaarlijke Tour. “Lieske voelde zich daar prettig bij. Dus moet ze dat ook doen. Toeval trouwens dat ze in die kathedraal werd gezien, door iemand van de krant. Ze zoekt de publiciteit niet. Ze gaat nog steeds naar die kerk als ik weg ben.” Hij wijst naar het raam: daar staat een kaars voor een foto van de renner. “Ze steekt die altijd aan als ik het vliegtuig in moet, of als ik moet fietsen. Of als ik een rotdag krijg. Dat doet zij graag, het is voor mij ook een fijn idee, ja. Ik ben gelovig, maar dan op mijn eigen manier. Als er boven dan toch iemand is, dan is het aan iedereen vrij datgene te doen wat hij wil. En waar maakt niet uit, desnoods op het toilet.”

Het zou hem tegenstaan vooraan in de kerk te moeten zitten. “Ik gedij beter in de luwte, op de achtergrond. In the picture zijn, benauwt me. Ik had er een hekel aan om kopman te zijn.”

Aan het einde van de jaren tachtig vormde hij een Siamese tweeling met Steven Rooks. Eerst bij PDM. “Onze kopman Greg LeMond kon niet aan de Tour meedoen. Ploegleider Gisbers zei: 'Het is aan jullie dit jaar, jullie mogen helemaal je eigen gang gaan'. We deden die hele voorbereiding samen. Dezelfde interesses, dezelfde talenten. Dan groei je natuurlijk helemaal naar elkaar toe. Je best doen voor de gele trui, de etappes. Steeds met zijn tweeën, prachtig. Je kunt je ei kwijt, je kunt samen op de kamer een beetje fantaseren en filosoferen. Dat waren mooie gesprekken. In die Tour van '88 werd Theunisse tweede in het bergklassement. “Ik trok elke sprint aan voor Steven, cijferde me weg voor die bergkoning. Probleemloos. Ik ben niet zachtaardig, maar ik doe misschien toch te snel iets voor een ander. Een ander iets geven doe ik net zo lief als het zelf pakken. Dat is voor een sportman een verkeerde eigenschap. Die moet juist een beetje egoïstisch zijn. Dat heb ik helemaal niet in me. In de Tour van '89 heb ik een keer wèl aan mezelf gedacht. Die bergtrui pakken, dat kan ik makkelijk zelf, ging het door me heen. Een heel mooi moment was het winnen van Alpe d'Huez dat jaar. Maar daar had eerder al een aantal Nederlanders gewonnen. Het prachtigste was de bolletjestrui, dat klassement gaat toch over drie weken. In het begin van die Tour had Indurain dat tricot. Van de hoogste cols tot de kleinste was er een verschrikkelijk gevecht. Beste klimmer in de Tour, dat zijn in Nederland alleen Rooks en ik geweest.”

Een jaar eerder moest hij zijn plas op Alpe d'Huez inleveren bij de dopingcontrole. Hij bleek positief, net als later - in 1990 - na de Waalse Pijl en in een Spaanse wedstrijd. “Ik had zitvlak-eczeem. Het zalfje dat ik daartegen gebruikte bevatte een middel (corticosteroïden) dat invloed had op de verhouding tussen het epitestosteron en testosteron in mijn lichaam. Maar niet in die mate dat de verhouding opliep tot ver boven de toegestane 1:6. Mijn testosterongehalte is nooit te hoog geweest, maar het epitestosteron was bijzonder laag. Daardoor kon die verhouding zo hoog worden. Mijn epitestosteron, daar hebben de controleurs van de UCI nooit naar gekeken. Ze hebben gewoon een beetje gegokt, zich daar niet in verdiept. Ik wel. In overleg met professor Thijssen heb ik er een dossier van laten aanleggen, voor een hoop geld. Ik wilde mijn onschuld bewijzen. Alles bij elkaar kostte die affaire me wel anderhalve ton: het lab, de advocaten, de vliegtickets, de hotels. Bij die rechtszaak in Zürich (eind 1990) heeft de UCI dat perfecte dossier gewoon hupsakee, in de prullenbak gegooid. Die Duitse dopingexpert Donike zat er ook even bij. Toen hij Thijssen zag, schrok hij en is hij meteen weggegaan. Hij moest zijn vliegtuig halen, riep-ie. Donike had zich nooit in epitestostereon verdiept. Thijssen wel, al dertig jaar lang, dus die wist er alles van. Dat zijn minder leuke ervaringen, want je trekt toch altijd aan het kortste eind.”

Toen hij de eerste keer werd 'gepakt' reageerde hij heel geschokt, weet Theunisse nog. “Het was het laatste wat je verwacht. Journalisten kwamen het op mijn hotelkamer vertellen. Het was voor mijn even het einde van de wereld. Doping? Als het concurrentie-vervalsend is, vind ik het helemaal verkeerd. Het spul is slecht voor je gezondheid. Het kan zelfs levensgevaarlijk zijn. Er zijn renners die het gebruiken om zichzelf te verbeteren. Die zijn o zo blind in hun jacht op de overwinning. Vreselijk, want jonge sporters gaan die dingen van de helden overnemen. Dan krijg je een gekkenhuis. Dat mag niet gebeuren. Maar als een renner, bijvoorbeeld, verschrikkelijk onder zijn gewicht zit en totaal uitgeput is in de Tour en tòch per se wil doorgaan, wat dan? Dan mogen artsen van mij wat geven, ook al staat het middel op de verboden lijst. Zodat zo'n jongen kan aansterken. Doen de artsen dat niet, dan kan zo'n renner misschien de volgende dag dood neervallen.”

Na de dopingaffaire van '88 schreef het Franse sportblad L'Equipe dat Theunisse een populaire martelaar was geworden. Hij zou zelfs huwelijksaanzoeken uit Frankrijk hebben gekregen. “Ik las die post uit Frankrijk nooit, want ik ben die taal niet meester. Mijn vrouw wel, maar die zou nooit vertellen dat er aanzoeken van dames bij zaten.” Hij grijnst, zijn mooie bruine ogen schitteren. “Ik was heel geliefd in Frankrijk. Waarom weet ik niet. Dat blonde haar? Misschien. In Spanje had ik nog veel meer supporters. Daar kan ik helemaal niet meer kapot. Die mensen daar hebben onthouden dat ik Delgado in de Tour van '87 zo goed geholpen heb bij PDM. En Delgado is een hero, die was in Spanje toen veel populairder dan Indurain nu.”

De laatste jaren was de Brabander veel ziek. “Op dit moment zeggen de artsen dat de staat van mijn lichaam ontzettend goed is, los van mijn zuurstof-problemen. Ze hebben alle onderdeeltjes van mijn lijf onderzocht. Weet je wat ze roepen? We wouwen dat we zo'n sterk lichaam hadden als jij!”

Theunisse beseft wel dat hij fouten heeft gemaakt, dat hij roofbouw heeft gepleegd op zijn lichaam. “Normale mensen krijgen na een maagzweer of een maagbloeding een tijd rust voorgeschreven. Ik nam die rust niet. Ik slikte medicijnen en dacht: je moet gewoon door blijven trainen. En dan krijg je een beetje de tegenwerking van je lichaam. Je krijgt stress. Zo van: ik rij niet goed, maar het is logisch dat je niet goed rijdt. Dan ga je je eigen van binnen op zitten naaien. Ja, ik heb veel meegemaakt. Alles wat je kunt breken heb ik gebroken. Neem mijn eerste jaar als prof: twee armen, twee enkels, schouder. En een scheurtje in de schedel. Ik nam de tijd niet om te genezen. Ik wou altijd inhalen, inhalen, inhalen.”

Hij heeft een punt achter zijn carrière gezet. Hij gaat aftrainen. “Sport zit er bij mij gewoon in. Ik wil minimaal elke dag sporten. Als ik een dag geen natte rug heb gehad, voel ik mezelf niet prettig. Dus ga ik lopen, fietsen, tennissen en voetballen.”

Het is volgens hem “een geluk bij een ongeluk” dat hij nu afstapt. Nu heeft hij de tijd zich bezig te houden met de uitwerking van een plan dat hij al lang in zijn hoofd had. Theunisse wil een internationale amateurploeg oprichten. “Om het verschil met de superieure Italianen in de toekomst te verkleinen.” Het is zijn bedoeling circa vijftien talenten uit België, Duitsland en Nederland samen te brengen. “Een professioneel geleid klasse-team, met veel uitstraling. Doe ik iets, dan doe ik het optimaal, want ik ben een perfectionist.” De in wielerkringen bekende Belgische zakenman De Meulenaere heeft zijn steun al gegeven. Theunisse hoopt dat hij snel in contact komt met een Nederlandse en een Duitse sponsor. “Met twee à drie ton per land ben ik een heel eind”, aldus de Brabander. Zijn oude huis in Berghem is gemakkelijk te vinden. Geert-Jan en Lieske staat er op het naamplaatje naast de voordeur.