Boeren

H. DIEDERIKS, J. THOMAS LINDBLAD en B. DE VRIES (red.): Het platteland in een veranderende wereld. Boeren en het proces van modernisering

348 blz., Verloren 1994, ƒ 45.-

Ongeduldige naturen, tuk op vooruitgang, hebben het niet op boeren, en verslijten ze voor achterlijk. Romantici daarentegen met een hang naar de dagen van weleer, zingen al eeuwen de lof van de landman. Het Festschrift bij het afscheid van Hille de Vries, hoogleraar in de sociale en economische geschiedenis in Leiden, is één uit een lange rij van pogingen om de rol van de boerenstand in de moderne geschiedenis op zakelijker gronden te waarderen.

Nederland kent een eerbiedwaardige traditie van volkenkundigen en sociografen, landbouwingenieurs en historici die zich over de nederzettings- en bestedingspatronen, huwelijksgewoonten en politieke voorkeuren van boeren en buitenlui bekommeren, en deze bundel met achttien opstellen past daar uitstekend in. De zeven hoofdstukken over moderniseringsvraagstukken waarvoor boeren in de Derde Wereld zich gesteld zien en zagen, doen ook al vertrouwd aan. Naarmate het boerenleven hier te lande aan belang inboette, groeide onder de boeren en onder hun zaakwaarnemers de interesse in de wijde wereld.

Een vraag die historici en ontwikkelingswerkers gelijkelijk bezighoudt is of boeren alleen tegenstribbelend tot deelneming aan het moderne leven, in casu de markteconomie, te porren zijn, dan wel eigener beweging hun voordeel zoeken als ze de kans krijgen. Uit onderzoek in Mexico, Nederlands-Indië en New England blijkt dat de boeren alle koloniale restricties ten spijt, meestal goed wisten waar Abraham de mosterd haalde, en met voorbijzien van bureaucratie en tussenhandel contact met de markt probeerden te krijgen. Indianen, inlanders en puriteinen trotseerden eigen en andermans regels 'to make a buck'. Die conclusie laat zich moeilijk rijmen met de bijdrage van de nestor van de agrarische geschiedenis, Slicher van Bath, die een arcadisch boerenverleden in wat nu ontwikkelingslanden heten situeert, waarin de interventies van het Westen toen en nu natuurlijk de storende factor zijn. De verzekering van Slicher van Bath dat de Azteken 'een evenwichtige balans tussen produktie en consumptie' hadden bereikt is hoogst aanvechtbaar, zelf als men niet, zoals de antropologen Michael Harner en Marvin Harris, gelooft dat de Azteken hun krijgsgevangenen offerden en opaten. Bevolkingsdruk en voedselgebrek speelden echter zeker een rol bij de onophoudelijke 'bloemenoorlogen' die de Azteken voerden.

Een binnenlands voorbeeld van hoe snel de zaken veranderen als de producenten de toegang tot de markt ontdekken, is te vinden in het stuk over de economische achterstand van Limburg. De achterlijkheid wordt zo smakelijk geschilderd dat de lezer, die zich net in Luilekkerland begon thuis te voelen, verrast wordt door de plotselinge opstoot van de provincie in de vooruitgang: rond de eeuwwisseling legden in korte tijd boeren-coöperaties de handelswegen open.

Boeren mogen dan wel altijd en overal hun best hebben gedaan om aan beperkingen te ontsnappen, hoe zwaar die drukken realiseert de lezer zich pas goed als hij in het voortreffelijke opstel over de traditionele roggeverbouw in Drenthe de cijfers over de produktiegroei in de laatste drie eeuwen onder ogen krijgt. Bracht een hectare bouwland aan het begin van de zeventiende eeuw 850 kilogram rogge op, tweehonderd jaar later was dat met geweldige inspanningen tot 1200 kilogram opgelopen. Na de toepassing van kunstmest aan het einde van de negentiende eeuw verdubbelde de produktie in een paar decennia, en liep de benodigde arbeid terug tot een honderdste van wat de 'oude landbouw' moest investeren. Maar toen die royale oogsten binnengehaald konden worden, was de vraag naar rogge al lang niet meer wat zij geweest was. Met inbegrip van de lagere klassen gaven de meeste mensen de voorkeur aan wittebrood, gebakken van tarwe. Zo bezorgden de grillen van de consument de boer nu zijn koppijn, in plaats van de natuurlijke beperkingen.

In de essays wordt niet veel aandacht besteed aan de invloed van de politiek en cultuur op het boerenbedrijf; het laatste stuk over de landbouwpolitiek van de EEG is een uitzondering. De belangrijkste sociale variabele in de verschillende streekverhalen is, zoals gezegd, de 'markt'. Dat geeft de bundel een ouderwets 'Wagenings' karakter. Maar de goede verstaander zal er veel achtergronden in vinden van de weifelende houding die boeren tot op vandaag tegenover de moderne handel en wandel bezitten.