Varkensliedje 34

Er woonde een big in Biggekerke Die zuchtte: ik kan het niet langer verwerken, Dit leven van mij, het gaat buiten de perken; Maar toch moet ik voort, want geen mens mag ooit merken Dat ik eigenlijk niet hoor bij de stoeren en sterken, Maar meer bij degenen die afknappen als berken. Hoe voltooi ik zo ooit mijn verzamelde werken? Zo verzuchtte die big, dwalend tussen de zerken: Straks ben ik geen big meer, dan ben ik een verken.

Je kunt het hem moeilijk kwalijk nemen, want de meeste jongeren (als ze Frans kenden) zouden het waarschijnlijk ook zo hebben gedaan. Nederlanders die na de Mammoetwet hebben schoolgegaan weten niet dat 'dorsten' (Richt. 4:19, Joh. 19:28) een werkwoord is, en dat 'mij' hier in de 4e naamval staat. Staaltjes van zulk analfabetisme kom je steeds vaker tegen. Over 'Gelukkig is het land dat God den Heer beschermt' heb ik iemand horen zeggen: dat is onjuist, het moet omgekeerd zijn; niet het land beschermt de Heer maar de Heer het land (dat is te zeggen, zo werd het niet precies geformuleerd want ook een constructie als 'de Heer het land' - 'als door het bosch de Leeuw' - wordt, nu de Mammoetgeneratie zelf tot het onderwijs is doorgedrongen en een Jobstijding begrepen wordt als een bericht over de werkgelegenheid, door de leraar Nederlands hoogstwaarschijnlijk fout gerekend).