Uit de kluiten gewassen Salomé is erotisch nachtclubdanseresje

Voorstelling: Chez Salomé, van Daphne de Bruin, door Growing Up in Public. Regie: Paul Feld; spel: Daphne de Bruin, Bruun Kuijt, John Buijsman. Gezien: Utrechtse School, Boorstraat 10, Utrecht. T/m 13/4 aldaar; tournee t/m 12/5.

Bij de ingang van de Utrechtse School staat, op een zilveren schaal, het hoofd van Johannes de Doper. Een appetizer voor het hoofdgerecht. In de zaal wacht Salomé, die het hoofd van deze onbenaderbare geliefde eiste in ruil voor wat danspasjes in een omlijsting van zeven sluiers.

Daphne de Bruin herschreef het bloederige bijbelverhaal tot een al even gruwelijk drama. In Chez Salomé is Johannes de Doper getransformeerd in een politieman, Herodes heeft de gedaante aangenomen van een pornokoning en Salomé is een nachtclubdanseresje. Is de erotische relatie tussen Herodes en Salomé in de Bijbel al verdacht, in de theaterproduktie hebben we te maken met de meest walgelijke vorm van incest. Salomé is Herodes' oogappel, zijn dochter, zijn kapitaal. Hij maakt haar zwanger en laat de vrucht niet aborteren, want, bedenkt hij samen met agent J. de Doper, seks met zwangere vrouwen zou weleens een trend kunnen worden. De beide heren weten precies hoe ze aan het meisje kunnen verdienen en ze weten zich gesteund door de wet.

Incest, corruptie, geweld en intriges: deze voorstelling leeft door slechtigheid. Regisseur Paul Feld houdt van macaber theater, dat bleek al uit An der schönen blauen Donau, een zelfgeschreven drama over een Weense dienstmeisjesmoordenaar. Ook dit keer zijn we in een grotesk spookhuis beland. De strop waarin Salomé zich verhangt (verhangen wórdt?) blijft steeds prominent in beeld. Daaromheen staan een paar Romeinse zuilen, waarop zich lugubere schaduwen aftekenen. Verdachte objecten worden met een zaklantaarn beschenen, net als in een goedkope thriller. Johannes de Doper is een diender in een bloedrood uniform, die privé en tijdens kantooruren van SM-plagerijtjes houdt. En Herodes, een pooier behangen met goud, woonde tot voor kort in een pulpfilm zonder cultstatus. John Buijsman en Bruun Kuijt spelen deze rollen hilarisch; het zijn dolgedraaide neurotische baasjes die ook over zangtalent blijken te beschikken.

De enige die wat bezinning in deze kermisdrukte brengt is Daphne de Bruin, een flink uit de kluiten gewassen Salomé in een lief kort jurkje. Haar tekst is poëtisch, haar verschijning ook - totdat ze zich ontpopt als wreekster.

Chez Salomé doet hier en daar denken aan het hardhandige theater van Alex d'Electrique. Maar dat is toch wilder, anarchistischer en griezeliger dan het in wezen moralistische verhaaltje van Paul Feld en Daphne de Bruin.