Tweedeling van samenleving is niet bij grens te stoppen

Niet iedere gekleurde of anderszins door uiterlijk opvallende medeburger is een buitenlander of zelfs maar een allochtoon. Niet iedere vreemdeling is een asielzoeker. Niet iedere asielzoeker wordt toegelaten. Niet iedere vluchteling krijgt asiel. Niet iedere etnische minderheid vormt een doelgroep van sociale zorg. Niet iedereen die van die zorg gebruik maakt, behoort tot een etnische minderheid.

Het is geen overdaad, gezien de heersende verwarring, dat het Instituut voor Migratie- en Etnische Studies van de Universiteit van Amsterdam in zijn rapport Migratie, minderheden en beleid in de toekomst nog even de puntjes op de i zet.

Hoeveel voorzichtigheid en voorbehoud de rapporteurs ook door hun tekst hebben geweven, de cijfers liegen er niet om. Hier ligt een groot vraagstuk. We nemen het jaar 2010. In dat jaar zullen twee miljoen inwoners van Nederland in het buitenland zijn geboren, ofwel 12 procent van de bevolking (nu 9 procent). 15 procent zal van allochtone afkomst zijn. Het migratiesaldo ('komers' minus 'vertrekkers') voor de Turken zal 1.000 zijn (in 1990 9.000), voor de Marokkanen 2.000 (was 8.000), voor de Surinamers 4.000 à 5.000 (was 6.000). Het migratiesaldo uit de 'overige landen' (niet-OESO-landen) wordt voor de eerste tien jaar van de volgende eeuw geschat op jaarlijks 26.000 (dit jaar beloopt de raming 39.000). Dit getal wordt vooral bepaald door de stroom asielzoekers èn de maatregelen die zijn genomen om de toeloop te beperken.

Van een kant bekeken levert de migratie een klein voordeel op. De demografische druk in Nederland neemt toe. De beroepsbevolking vergrijst, wat eerder een probleem opwerpt voor de WAO dan voor de AOW. De rapporteurs schrijven: als we de leeftijdsopbouw van de groepen migranten vergelijken met die van de totale Nederlandse bevolking “dan leveren deze groepen in potentie een (bescheiden) bijdrage aan de verlichting van de (...) demografische druk”. Maar dit blijkt toch vooral een tijdelijk en statistisch gegeven. Immers, op den duur zullen de migranten evenmin aan de 'ontgroening' ontkomen en om de demografische druk werkelijk te helpen verlichten zullen de migranten een werkzaam aandeel in de Nederlandse bedrijvigheid moeten hebben. En dat zal vermoedelijk maar zeer beperkt mogelijk blijken.

Op dit moment is de werkloosheid onder Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillinanen drie maal zo hoog als onder de autochtone bevolking. Voor de jongeren uit de minderheden ligt dat percentage nog aanzienlijk hoger. Aangezien een 40 procent van deze minderheidsgroepen niet meer dan primair onderwijs heeft gevolgd en arbeid voor laaggeschoolden in afnemende mate wordt aangeboden, zal de werkloosheid eerder toe- dan afnemen. Zelfs de constatering dat de tweede generatie allochtonen veelal meer onderwijs heeft genoten dan de eerste biedt nauwelijks soelaas. De gemiddelde autochtone jongere stapt de arbeidsmarkt op met betere diploma's op zak dan zijn allochtone leeftijdsgenoot.

Langdurige werkloosheid leidt tot maatschappelijk isolement. Bijna driekwart van de Turkse en Marokkaanse werklozen die een baan zoeken, is langer dan een jaar werkloos, evenals twee van de drie werkloze Surinamers en Antillianen en een op de twee autochtonen. Het werkende deel in de minderheidsgroepen is doorgaans actief in de lagere functies in de agrarische, industriële en dienstverlenende sectoren, de eerste twee bedrijfstakken laten een krimpende werkgelegenheid zien. Van de werkende Turken en Marokkanen bevindt zich een 70 procent in de laagste functies, van de werkende autochtonen 25 procent. Een 50 procent van de werkende Surinamers en Antillianen bezet middenfuncties.

Behalve de verdere herstructurering van het bedrijfsleven en de verdringing op de arbeidsmarkt door beter opgeleide autochtonen, zien de rapporteurs nog een derde factor die de werkgelegenheid voor minderheidsgroepen nadelig kan beïnvloeden. Dat is “een mogelijke verharding van het opinieklimaat jegens migranten en minderheden”. Discriminatie bij aanstelling van werknemers en verzet tegen initiatieven voor positieve discriminatie dreigen de allochtone jongeren verder op achterstand te plaatsen. De rapporteurs houden hun het vrije ondernemerschap voor als alternatief, maar de ervaring leert dat op het pad daarheen ook de nodige voetangels en klemmen liggen.

Over asielzoekers weten de rapporteurs in dit verband niet veel meer te zeggen dan dat het opleidingsniveau hoger ligt dan bij de oudere categorieën migranten, maar dat de heterogeniteit van de groep en het gebrek aan onderzoek het moeilijk maken hierover veel zinnigs te zeggen. Er kan intussen wel worden opgemerkt dat het verbod voor gedoogde asielzoekers om gedurende de eerste jaren van hun verblijf zich op de arbeidsmarkt te vertonen, de inburgering van deze groep niet bevordert. Het uitgangspunt van de tijdelijkheid van hun aanwezigheid staat doorgaans haaks op de praktijk. De regimes waarvoor deze mensen huis en haard hebben verlaten, houden zich over het algemeen niet aan het uitgestippelde 'tijdpad' in de vaderlandse regelgeving.

Onderwijs en werkgelegenheid zullen dus maar zeer beperkt bijdragen aan de natuurlijke 'inburgering' van migranten in de Nederlandse samenleving. Een derde factor die belemmerend werkt is de hoge concentratie van minderheidsgroepen in de grote steden, niet alleen in de grootste vier agglomeraties, maar ook in de andere twintig gemeenten met meer dan honderdduizend inwoners. In 2010 zal de bevolking van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag voor bijna de helft uit allochtonen bestaan, en zal in deze steden een kwart van de wijken een allochtone meerderheid hebben. In de Randstad is sprake van een relatief grote toename van beter betaalde banen die een hoog opleidingsniveau vereisen. Hier sluit zich dus de heksenkring. De concentratie van minderheden en de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt vormen een dubbele rem op de ontplooiingskansen van migranten.

Onontkoombaar dringt zich het vraagstuk op van de tweedeling in de samenleving. Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen zijn oververtegenwoordigd in de categorie personen met een werkloosheidsuitkering. Surinaamse en Antilliaanse vrouwen zijn “sterk oververtegenwoordigd” in de groep met een bijstandsuitkering. Turken en Marokkanen, mannnen en vrouwen, zijn oververtegenwoordigd bij de arbeidsongeschikten.

Een ding staat vast: het probleem lost zich niet op door te doen alsof het nog aan de grens kan worden tegengehouden.