Rotterdam

Al een paar dagen logeer ik in Rotterdam. Het hotel heet New York en ligt aan de linkeroever van de Maas. Een eeuw lang is dit gebouw het hoofdkwartier geweest van de Holland-Amerika Lijn. De buitengevel is gedecoreerd met beelden die de vijf werelddelen voorstellen. Binnen hangen foto's uit de tijd van de grote landverhuizing. Foto's van 1905, het jaar waarin mijn vader werd geboren. Honderden sjofel geklede emigranten, meest joden, staan met hun koffers te wachten op hun vertrek naar het beloofde land.

Omdat het hotel voor de rest vol is, mogen we een nacht slapen in de voormalige directiekamer. Het is een enorme ruimte met open haarden. De oorspronkelijke asbakken en sigarenhouders zijn nog aanwezig. Vanuit deze kamer keken de directeuren tot ver over de Nieuwe Waterweg. Ze zagen hun eigen schepen vanuit de verte naderen en ze zagen hoe de schepen aanmeerden aan de kade voor hun raam.

Op een statief staat in de kamer een verrekijker opgesteld. Ik tuur over de Nieuwe Waterweg. Duwboten razen stroomopwaarts. Aan de oevers rijzen wolkenkrabbers op. Dit is Rotterdam denk ik, dit is het buitenland. Ik snuif de geur van de haven op en voel iets van opluchting, misschien zelfs iets van bevrijding.

Het is eigenlijk beschamend hoe slecht ik Rotterdam ken. Als Amsterdammer relateer ik alles aan Amsterdam, ongeveer zoals die blinde die een paar seconden mocht zien. In die korte tijd had hij het ongeluk om een ezel te zien, zodat hem nadien niets anders overbleef dan bij alles wat hem uitgelegd werd te vragen: “En? Lijkt het op een ezel?”

Lijkt Rotterdam op een ezel? In de krant van gisteren zag ik een foto, waarop wij de burgemeester van Amsterdam de vlag zien hijsen. Hij wil dat heel Amsterdam in het kader van de campagne 'Laten wij de vlag uitsteken!' op 5 mei zal veranderen in een vlaggenzee. Dat is natuurlijk ook weer bedacht door een of ander reclamebureau, maar waarom houdt de burgemeester zich met dat soort onzin bezig? Kennelijk heeft het burgemeesterschap van Amsterdam de innerlijke neiging om te infantiliseren. Dat geklungel met de opvolging van commissaris Nordholt - minister Dijkstal heeft natuurlijk volkomen gelijk als hij zegt dat er iemand van buiten moet komen - duidt erop dat Patijn al langzaam op zijn voorganger Van Thijn is gaan lijken.

Ook lees ik dat de Amsterdamse wethouder, mevrouw G. ter Horst vijf uur met haar staf bij de telefoon heeft gezeten om vragen van de burgerij te beantwoorden. Moet Amsterdam een stadsprovincie worden? Er meldden zich in die vijf uur 11 bellers, die allemaal dezelfde vraag stelden. Arm Amsterdam. Ik voer laatst over het ROA-Rijnkanaal en zag hoe het water was gestegen tot ver boven Nieuw ROA-Peil. Op weg naar het ROA-Historisch Museum maakte ik weer even kennis met dat typische ROA-gevoel voor humor van de ROA-tramconducteur.

De afgelopen dagen heb ik Rotterdam verkend. Een mooie, rauwe stad, waar ik wel eens een paar jaar zou willen wonen. Maar fietsend over de Coolsingel, langs het Weena en over de bruggen van de Maas, vroeg ik mij angstig af of het Amsterdam-virus zelfs hier heeft toegeslagen. Neem bijvoorbeeld de Hef. Deze stalen spoorbrug uit 1927 behoort tot de robuustste bruggen van Europa. De brug is onlangs gerestaureerd en tot een historisch monument verklaard. Van heinde en verre komt men naar deze brug kijken.

Maar wat heeft men gedaan? In Rotterdam heb je de Opzomerstraat. Deze straat was geheel verpauperd, tot de bewoners besloten de boel schoon te maken, een nuttig initiatief dat zelfs het woord 'opzomeren' heeft opgeleverd. Toen heeft men voor het opzomeren een vignet bedacht: een lachend zonnetje, geel van kleur met twee handjes en twee voetjes. Het vignet lijkt nog het meest op smiley, u kent hem wel, die cirkel met die twee ogen en die lachende mond, ook als drop te koop.

Het zonnetje van de Opzomerstraat heeft men nu pontificaal bovenop de Hef gezet. Ook staan er een paar van die zonnetjes te glimmen op het dak van het Rotterdamse stadhuis. Ed van Thijn zal toch niet adviseur in Rotterdam zijn geworden? Rotterdam let op uw saeck!