Rhyne mist het geluid van opstijgende DC-10

Concert: Hammondorganist Mel Rhyne & de Tenor Triangle. Gehoord 6/4 BIMhuis, Amsterdam. Verder 7/4 Vredenburg, Utrecht (SJU Festival), 8/4 Popular, Rotterdam.

Het moet de nachtmerrie van vele muzikanten zijn: debuteren op een defect instrument. Het overkwam Melvin Rhyne (1936) gisteren in het BIMhuis waar zijn hammondorgel lange tijd klonk als een krakende wagen vol kreunend vee. Het publiek stond daarbij niet echt te juichen, maar ging evenmin over tot opstandig gemor. De vervorming was waarschijnlijk de bedoeling, anders zou Rhyne wel gestopt zijn en geroepen hebben dat het allemaal een grof schandaal was.

Had Melvin Rhyne het temperament en het ego van zijn beroemde collega Jimmy Smith gehad, dan was dat ongetwijfeld ook gebeurd; nu duurde het tot de pauze tot de zaak werd opgeklaard. Toen schroefde de Nederlandse organist Herbert Noord geroutineerd het voorpaneel van zijn uitgeleende orgel af, friemelde wat aan de buizen van de versterker en klonk er weer wat uitvinder Laurens Hammond omstreeks 1960 bereikt had: een machtig en buitengewoon verreikend geluid, als een opstijgende DC-10.

Een kabaal waar Melvin Rhyne duidelijk bij achterbleef toen hij in diezelfde tijd werd ontdekt door wijlen gitarist Wes Montgomery, en nog steeds toen hij in 1991 eindelijk een eigen plaat mocht maken die natuurlijk The Legend ging heten. Hij maakte sindsdien nog twee cd's, de eerste met Joshua Redman, de jonge tenorsaxofonist die in korte tijd razendpopulair werd, de andere met de Tenor Triangle, bestaande uit drie van Redmans collega's die nog niet zo fortuinlijk waren: Eric Alexander, Ralph Lalama en Tad Shull. De eerste en de laatste waren er in het BIMhuis ook bij en vielen daar meer op dan Rhyne zelf. Alexander blijkt op rustige momenten veel van Dexter Gordon te hebben, maar gaat ook vrijelijk te rade bij anderen, hij is nog jong en mag dus zwalken. De oudere Tad Shull blijkt wel een vaste stijl te hebben: recht door zee, krachtig, zelfs op grote afstand van de microfoon. Garry Waldon, die inviel voor Lalama doet alles om zijn naam te vestigen; hij trekt zijn hoofd als een briesende bizon diep in de schouders, gaat diep door de knieën bij lage noten, en lijkt ook verder op een rock & roller uit de jaren vijftig. Hammondorganist Melvin Rhyne ziet toe, luistert en speelt zoals hij dat altijd al heeft gedaan: als een luie pianist die toevallig een orgel onder handbereik kreeg: zacht, puntig en consequent een fractie achter beat.