Politie signaleert steeds meer activiteiten van Russische mafia in Nederland; 'Primitief maar ongewoon gewelddadig'

Deze week signaleerde de BVD dat Nederlandse bedrijven in Rusland worden afgeperst. Ook in Nederland wordt de Russische mafia steeds actiever, blijkt uit een onderzoek van het IRT.

ZWOLLE, 7 APRIL. Een jaar hebben zeven politiemensen van het IRT (interregionaal rechercheteam) Noord-Oost-Nederland besteed aan het in kaart brengen van de criminaliteit die vanuit Rusland en omringende Oost-Europese landen op ons afkomt. Fenomeen-onderzoek heet dat in modern politie-jargon en de korpschef van de regio IJsselland en hoofdverantwoordelijke voor het IRT, J. Wilzing, is er trots op.

“Het is van belang dat de politie meer doet dan het alleen achterover trekken van een dader die een strafbaar feit heeft gepleegd. Bij dit nieuwe type onderzoek probeer je via het bestuderen van afzonderlijke politiedossiers en het voeren van gesprekken met alle mogelijke deskundigen de criminaliteit voor te zijn. Niet meer alleen repressief, maar vooral ook preventief optreden”, zegt Wilzing.

Omdat Oost-Nederland 't dichtst bij Moskou ligt, heeft het oostelijke IRT - een van de zes politiekernteams die regionaal opereren - onder andere de bestrijding van, wat populair gezegd de Russische mafia heet, in haar takenpakket. Vorige maand werd de eerste inventarisatie afgerond en Wilzing, gesecondeerd door Oost-Europa-deskundige van de CRI G. Woudsma, en IRT-coördinator P. van Essen, is bereid voor het eerst verslag te doen van de bevindingen.

Uitgangspunt voor de IRT-analyse waren een veertigtal onderzoeken die politie en Fiod in Nederland tussen 1990 en november 1994 hebben uitgevoerd naar georganiseerde Oost-Europese criminaliteit. Rechercheurs voerden bovendien gesprekken met vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven, wetenschappers, Oost-Europadeskundigen en enkele politie-collega's in Moskou.

Waarschuwde de BVD deze week vooral voor de hinder die Nederlandse bedrijven in Rusland ervaren van de misdaad, de globale conclusie die uit de IRT-studie naar voren komt is dat ook in Nederland de Russische mafia een serieus probleem dreigt te worden. “Het gaat om misdadigers die zich vooralsnog vooral bezighouden met wat wij als de meer primitieve vormen van misdaad beschouwen, zoals prostitutie, afpersing en handel in gestolen auto's. Bovendien is duidelijk geworden dat de Russische misdadigers gebruik maken van geweld in een mate en vorm die van een geheel andere orde is dan we in Nederland gewend zijn”, vertelt Wilzing, die tot vorig jaar directeur van de CRI was.

Uit de IRT-analyse blijkt ook dat de Russen nog geen echt goede criminele infrastructuur in Nederland hebben opgebouwd. In tegenstelling tot het beeld in landen als België, Duitsland en Amerika zijn Russische criminelen in Nederland nog bezig de markt te verkennen. “Het loopt ons nog niet over de schoenen maar een grotere waakzaamheid is geboden”, zegt CRI-agent Woudsma. Tot voor kort registreerde de CRI jaarlijks een paar incidenten maar de laatste jaren ontvangt men tientallen meldingen per jaar van Oost-Europese (exclusief de Balkan-staten) criminaliteit in Nederland.

De activiteiten van Russische misdadigers lijken zich in Nederland te concentreren in Amsterdam, Den Haag, Noord-Brabant en Limburg. De politie denkt dat dit te maken heeft met het feit dat daar relatief gezien de meeste Russen gevestigd zijn maar helemaal duidelijk is dat niet.

De belangrijkste aandacht van de Russische misdaad richt zich in Nederland vooral op de prostitutie en de daarmee samenhangende handel in vrouwen. “We zien dat in de prostitutiewereld de Russen bezig zijn om met veel geweld deze markt over te nemen”, zegt rechercheur Van Essen. Hij vertelt over een incident waarbij in Limburg bordeelhouders bezocht werden door een Rus die aankondigde dat een aantal dames die hem vergezelden in deze club kwamen werken.

“De bordeelhouder die weigerde kreeg de volgende dag wederom bezoek waarbij het 'aanbod' opnieuw werd gedaan en de Russen bovendien lieten zien dat ze onder hun regenjas een heel wapenarsenaal droegen”. Een belangrijke positie zouden de Russen nog niet op de prostitutiemarkt hebben weten op te bouwen maar Woudsma zegt dat er wel een aantal bordelen in Nederland zijn waar “Oost-Europeanen op de achtergrond aan de touwtjes trekken”.

Een andere misdaadactiviteit die vooral dankzij onderzoek van de FIOD is vastgesteld, betreft fraude met subsidies van de Europese Unie. Het gaat om het ten onrechte opstrijken van premies die worden uitgekeerd bij de import of export van bepaalde goederen. Aanvankelijk ging het hier om een vorm van witte boordencriminaliteit die door Nederlanders werd gepleegd met hulp van partners die men in Oost-Europa zocht. Nu constateert de politie dat Oost-Europeanen geheel zelfstandig frauduleuze constructies opzetten om subsidies binnen te halen.

Het probleem waar in het bijzonder veel bedrijven mee te maken krijgen die handel willen drijven met het voormalige Oostblok, betreft afpersing. “Bedrijven worden gedwongen joint-ventures aan te gaan met Russische firma's. Op een gegeven moment gaat zich dan een meer schimmig bedrijf met de handel bemoeien die nogal dreigend eist dat er gedeeltelijk goederen in natura moeten worden afgedragen of dat er een deel van de winst moet worden afgestaan”, aldus Van Essen.

De politie heeft ook vastgesteld dat Nederlandse bedrijven door Russen worden benaderd met de vraag of ze goede mogelijkheden weten om geld te investeren. De herkomst van het geld is vaak onduidelijk. Het gaat om normale zakelijke winsten, crimineel geld maar ook om het vermogen van de voormalig heersende politieke klasse.

Het oostelijke IRT - dat deze zomer een verbindingsofficier op de ambassade in Warschau zal stationeren om samen met een CRI-agent broodnodige contacten te leggen - heeft ook vastgesteld dat “het roepen over” een aantal vormen van criminaliteit “niet overeenstemt met de feiten”, aldus Wilzing. In Nederland is bijvoorbeeld niet vastgesteld dat Russen serieuze pogingen ondernemen om radio-actief materiaal of uranium te smokkelen. Ook zijn er in vergelijking met andere misdaadgroepen geen noemenswaardige incidenten geconstateerd op het terrein van de illegale handel in wapens of smokkel van verdovende middelen.

In zijn algemeenheid is Wilzing van mening dat er voor wat betreft de Russische misdaad sprake is van “een beginnende criminele markt” die nog een halt moet kunnen worden toegeroepen. Zo prijst hij bijvoorbeeld het recente initiatief van minister Sorgdrager (justitie) om het bordeelverbod op te heffen omdat dit de Russische mafia de wind uit de zeilen zal nemen. “Maak de bedrijfstak maar transparant dan kun je tenminste hele strikte regels stellen. En bijvoorbeeld verbieden dat er prostituées in bordelen werken die van buiten het gebied van de Europese Unie komen”.

Via dergelijke maatregelen en na uitgebreider 'fenomeen-onderzoek' moet het volgens Wilzing zelfs mogelijk zijn “een dam op te werpen” voor de Russische mafia. “Door een aantal maatregelen kun je het klimaat voor dergelijke misdaadgroepen zo onaantrekkelijk maken dat ik het mogelijk acht dat deze criminaliteit niet echt wortel schiet in Nederland”.