Op het goede spoor

Eind jaren vijftig kon je er niet omheen dat psychologie het vak van de toekomst was. Wie solliciteerde naar een functie van enig belang moest een psychologische test ondergaan, school- en beroepskeuzeadviseurs konden het werk maar nauwelijks aan en boeken van auteurs als Buytendijk en Eysenck haalden topoplagen. Steeds meer jongeren wilden dan ook psycholoog worden, een beroep dat boeiend werk paarde aan goede verdiensten.

In mijn geval gaf een lang artikel in Life de doorslag. Na lezing drong de conclusie zich op dat het wijs was de koers te verleggen, het baantje bij de krant kende tenslotte zijn beperkingen. Bovendien bood een studie de kans het leven een andere wending te geven: gebogen over de boeken zouden film en bioscoop, het kon haast niet anders, minder sterk mijn gedachten bepalen.

Op 2 oktober 1957, een schitterende herfstdag, werd in een gebouw aan de rand van het Vondelpark het openingscollege gegeven. Aan het woord was professor Jan Waterink, een ook buiten de Vrije Universiteit bekend pedagoog die, nu zijn carrière ten einde liep, groeide in zijn vaderrol. Zijn betoog van die middag klonk hoopvol. Het zou niet goed zijn, zo hoorde ik hem tot mijn vreugde zeggen, onszelf blind te staren op de statistiek - nu net dat deel van de studie dat me met vrees vervulde. Al die curves en getallen waren natuurlijk heel nuttig, maar hem ging het vooral om de mens daarachter. Met het oog daarop moesten we, om te beginnen, onszelf leren kennen.

Die boodschap viel in goede aarde: voor menigeen was dit streven (afgezien van het verwachte inkomen) de onuitgesproken reden aan deze studie te beginnen. Tot besluit van de middag gaf de hoogleraar iedereen een hand; er lagen een paar mooie jaren voor ons.

De volgende colleges, enkele dagen later, waren aanzienlijk moeilijker. Na afloop daarvan leek het verantwoord naar de bioscoop te gaan, een te lange periode van onthouding kon nergens goed voor zijn. Gezien het nieuws dat de Russen weinige uren eerder een kunstmaan hadden gelanceerd, een bericht dat insloeg als een bom, was Reach for the Sky een logische keus. De film ging echter over Kenneth More die als gehandicapte RAF-piloot de Duitsers bevocht, een gegeven dat die avond niet tot de verbeelding sprak. Bevredigender was op de Nieuwendijk 20 Million Miles to Earth, een verslag van wat er gebeurt als een buitenaardse levensvorm (in dit geval een Venusiaans monster) terechtkomt op aarde (ditmaal Italië). Een naslagwerk roemde later het 'intelligente script', maar het fijne daarvan staat me niet meer bij. Wel is zeker dat de unieke combinatie van wetenschap, nieuws en amusement die oktoberdag een voldaan gevoel gaf.

De maanden erna ging veel tijd heen met het dispuut waarvan ik, na de gebruikelijke ontgroening, lid was geworden. Het ging om een vrij ordentelijk gezelschap dat zich niet alleen toelegde op bier drinken maar ook op het houden van doorwrochte referaten. De eerste ging over 'De vrouw in de tegenwoordige tijd', een zeer actueel thema waarvoor Buytendijks bestseller De Vrouw (over 'het wezenlijke' van het vrouwelijk bestaan) het uitgangspunt vormde. Een heel scala aan al dan niet eigentijdse onderwerpen volgde, maar wat ontbrak was enige verwijzing naar de sector kunst: muziek, theater noch beeldende kunst kwamen ooit aan de orde, laat staan dat film aandacht kreeg.

Tegen de tijd dat het mijn beurt was, lag het voor de hand dit gemis te compenseren. Vol zendingsdrift zette ik me tot het schrijven van een toespraak die mijn medestudenten, zonder uitzondering van christelijke huize, op het goede spoor moest zetten. Na een inleiding over deze nog miskende kunstvorm, kreeg de tekst allengs het karakter van een historisch exposé. Niets werd overgeslagen: de tekeningen van de holemens, 35.000 jaar daarna de uitvinding van de stroboscoop, nog eens 44 jaar later de batterij camera's die een paardenrace vastlegde en vervolgens, nu een eeuw geleden, de eerste bioscoopvoorstellingen.

In dat stadium raakte ik echt op dreef. Twintig dicht beschreven vellen waren nauwelijks genoeg om de ontwikkeling te schetsen van Méliès via Griffith en Eisenstein tot Von Stroheim. Pas nadat de komst van de geluidsfilm was behandeld, gunde ik mezelf enige afleiding. In een zaaltje naast Tuschinski draaide Touch of Evil, een nachtmerrie over misdaad en verraad waarmee Orson Welles, niet voor het eerst, de mogelijkheden van het medium aantoonde. Zo'n demonstratie maakt elk betoog overbodig, bedacht ik me, na afloop bedrukt naar buiten lopend.

Toch lukte het twee dagen later het werkstuk te voltooien. Een paar volzinnen over Elia Kazans On the Waterfront en Viva Zapata!

vormden het sluitstuk van een beschouwing die maar één conclusie toeliet: wie aan dit alles voorbijgaat, doet zichzelf ernstig tekort. Aan het eind van diezelfde week stak ik, als een gedreven boodschapper, mijn verhaal in razend tempo af. Niettemin duurde het bijna twee uur voor ik op vel 46 de slotalinea had bereikt. Daarna viel er een moment van stilte, het was of de aanwezigen murw waren geslagen. Pas tijdens de pils ontstond een verwarde discussie, zodat het nog een vrolijke avond werd.

Het vervolg speelde zich de week daarop af in de bioscoop. Even zag het ernaar uit dat we naar I Want to Live! zouden gaan, het relaas van een vrouw in de dodencel, maar de meerderheid wees dit idee van de hand: als ze dan eens naar de film gingen, moest het iets vrolijkers zijn. Zo kwamen we die avond uit op Teacher's Pet, een komedie over ervaren reporter Clark Gable die een cursus journalistiek volgt omdat hij de lerares (Doris Day) voor zich wil winnen.

Ondanks de medewerking van Mamie Van Doren, Hollywoods meest onwaarschijnlijke seksbom, waren de reacties matig. Maar veel maakte dat niet uit: op die lezing over de filmkunst viel niks af te dingen, vond iedereen.