Netto winst van Thomassen 5,8 mln dollar lager

AMSTERDAM, 7 APRIL. De netto winst van Thomassen International Holding in Rheden heeft zijn netto winst vorig jaar zien dalen tot 10,1 miljoen dollar ten opzichte van de 15,9 miljoen dollar winst in 1993.

Thomassen, fabrikant van zware kapitaalgoederen als gasturbines en -compressoren, twijfelt nog steeds over het tijdstip waarop een notering aan de Amsterdamse effectenbeurs zal worden aangevraagd. Door de koersval van de Amerikaanse dollar, de toegenomen concurrentie op de markt voor gasturbines - die gepaard is gegaan met prijsdalingen van tientallen procenten - en het wegvallen van te verwachten orders ter waarde van 120 miljoen gulden voor warmtekrachtcentrales in Nederland als gevolg van een moratorium, heeft Thomassen halverwege vorig jaar moeten besluiten tot ingrijpende kostenreducties en herstructureringen in de bedrijfsvoering.

De omzet kwam uit op 440,9 miljoen, de cashflow (netto winst plus afschrijvingen) bedroeg 17,2 miljoen en de winst per aandeel liep terug naar 3,43 gulden (in 1993: 5,42).

Dergelijke cijfers nopen Thomassen bij een eventuele beursgang tot voorzichtigheid. Hoewel president W. Magendans vanochtend tijdens een toelichting op de jaarcijfers benadrukte dat Thomassen ook dit jaar zwarte cijfers zal behalen. Na de halfjaarcijfers wordt dit jaar opnieuw de balans opgemaakt om te bekijken hoe en wanneer de stap naar de Amsterdamse beurs verantwoord kan worden gezet.

Om de sluimerende impasse het hoofd te kunnen bieden is de 798 werknemers vorig jaar om een loonoffer gevraagd in de vorm van de winstuitkering die is uitgesteld. Thomassen is gewend 45 procent van de netto winst uit te keren aan haar personeel tot een maximum van 10 procent van de loonsom.

Hoewel de orderportefeuille van 400 miljoen geboekte opdrachten in 1994 er gezond uit zag en ook de samenwerking met de Duits moeder Babcock (die in 1993 een omzet van 9 miljard boekte en 40.000 werknemers in dienst heeft) zijn vruchten begint af te werpen door gezamenlijke opdrachten voor beide bedrijven onder meer in Denemarken, heeft Thomassen besloten even de broekriem aan te halen.

Door een aangescherpt inkoopbeleid in te kopen en een verdergaande produktiviteitsverbetering is Magendans er van overtuigd dat de marges breed genoeg zullen zijn om binnen afzienbare tijd een gang naar de beurs te kunnen maken. Dit zal gebeuren in overleg met Babcock, dat graag een succesvolle dochter naar de beurs ziet gaan en in de nieuwe opzet een meerderheidsbelang van minimaal 51 procent in Thomassen zal nemen.

Thomassen was in 1955 al aan de beurs genoteerd. Twaalf jaar later verdween het bedrijf weer van de beurs toen het opging in het scheepsbouw- en machinebouwconcern Rijn-Schelde-Verolme. Na de ondergang van RSV was Thomassen in 1983 en van de eerste dochters die werden verzelfstandigd.