Moeten kijkers naar de boekenkast worden gelokt?

Maar liefst twee literaire programma's, ieder helemaal gewijd aan een schrijver, waren gisteravond te zien: de documentaire die Jetske Spanjer over Leo Vroman maakte, en Boudewijn Büchs zoektocht naar de ware Multatuli-beleving. Ze konden moeilijk meer van elkaar verschillen dan ze deden, en van beide is de vraag of ze de kijkers naar de boekenkast lokten. Of eigenlijk is dat niet de vraag: Büch beweerde eigenlijk in alle toonaarden dat Multatuli wel groot was maar dat hij niet werd gelezen, dat hij zelf vroeger de Max Havelaar ook niet voor zijn lol had doorgeworsteld, dat er op scholen geen kind van 16 te vinden is dat dat boek uitkrijgt, laat staan het bewondert, en vervolgens ging hij voor Lauriergracht 37 staan om uit te leggen dat dat adres in het echt niets met Multatuli of Max Havelaar heeft te maken, en het bleek dat bij Hotel Multatuli ook geen fervente lezers werkten - enfin, Multatuli lezen was iets achterhaalds en dat was een schande maar waarom het een schande was, werd in dit op kleutertje luister-toon gebrachte programma niet echt duidelijk. Het zou beter zijn geweest om gewoon wat in Multatuli te lezen in de tijd die nu met thee en taart bij het 'Multatuli Gesellschaft' werd doorgebracht: twee brave Duitse heren die 'in Multatuli' waren. “Ik ben stolz op julie”, zei Büch, maar zodra ze uit beeld waren ging hij gauw zeggen dat ze niet góed van Multatuli hielden, niet écht, want Duits. Nu ja. Hij was bijna grappig van onnozelheid, deze documentaire.

Met Vroman lag dat heel anders. Een mooi, rustig portret, waarin Leo en Tineke Vroman hun geschiedenis met elkaar vertelden. Dat wil zeggen, ze vertelden vooral over de eerste jaren na hun ontmoeting, een gelegenheid waarbij Vroman zoals hij al vaker heeft verteld dacht: 'dat is mijn vrouw'. Nieuw was het nuchtere commentaar van Tineke die zei dat ze toen 'gelukkig' geen idee had van wat er allemaal in Leo omging. Zij kwam wel vaker erg nuchter uit de hoek. Toen Vroman verzuchtte: “Ik was doodsbang dat ik je kwijt zou raken”, zei ze kalm: “Dat is niet gebéurd. Dus dat kun je je uit je hoofd zetten.” Waarop Vroman: “Oh ja? Dat is goed nieuws.”

Behalve Vromans huwelijk kwam ook zijn werk aan bod, zijn wetenschappelijk werk dan, en hoe hij tekent in de metro en daar met medepassagiers praat en pas op het allerlaatst ging het even over zijn poëzie. Spanjer had gelukkig al wel een paar keer fragmenten uit gedichten voorgelezen bij animatiefilmpjes, maar een rustig gesprek over wat een gedicht is en hoe je het maakt als je Vroman bent, dat kwam er helaas niet van. Dat was wel jammer, vooral omdat die tijd en aandacht wel werd opgebracht voor het onderzoek naar hoe bloed zich aan een oppervlak hecht. En fibrinogeen is een mooi woord, maar een gedicht van Vroman is toch mooier - en zijn gedichten zijn bovendien de reden dat we naar deze documentaire kijken. Zo gaat het nu eenmaal vaak, maar spijtig is dat wel.