Is goedheid een karaktereigenschap; Hekabe van Euripides, een martelende tragedie

Hekabe (Ro-theater, regie Peter de Baan), vanavond te Rotterdam, daarna: Enschede, Groningen, Drachten, Leeuwarden.

Het essay over Hekabe van Martha Nussbaum staat in: The Fragility of Goodness (Cambridge University Press, 1986).

Het is mogelijk om momenteel een tragedie te zien die sinds twee eeuwen niet in Nederland is vertoond, en die toch van Euripides is. Deze Hekabe, nu gespeeld door het Ro-theater met in de hoofdrol Geert de Jong, heeft altijd de reputatie gehad onbevredigend te zijn, want onsamenhangend. Er verandert namelijk iemand zodanig van karakter in, dat je je zou kunnen afvragen of dit nog wel menselijk is. Het komt er op neer dat de hoofdpersoon in het begin van het stuk de waardigheid zelve is, terwijl ze aan het eind niet alleen een aanstootgevende kindermoord heeft gepleegd, maar ook nog in een jankende hond verandert. Dat wordt voorspeld, en dat vertelt de mythe ook: Hekabe zal het einde van haar leven slijten als een wezen dat alleen nog maar jankend kan blaffen, en geen woorden meer vindt.

Euripides was geen toneelschrijver die drama's maakte op basis van hoe we hopen dat mensen zijn, maar op basis van een erkenning van hoe broos zij zijn. Met de Hekabe onderzoekt hij, zegt de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum, de aanname dat 'goedheid' een karaktereigenschap zou zijn. Hekabe is een nobele, Trojaanse koningin, van wie het Griekse publiek mocht hopen dat zij ook onder zware omstandigheden voornaam haar lot zou dragen. Dat lot is het vreselijkste dat er in die tijd was - de nachtmerrie van het Atheense bestaan: een oorlog verliezen en slaaf worden.

Dat was een reëel, voorstelbaar lot, want in de Griekse wereld werden veel oorlogen gevoerd. Men beschikte zelf over slaven, veelal mensen die na zulke oorlogen buit waren gemaakt. Zonder die slaven zou de Griekse economie niet draaien; er waren immers geen machines. Het idee dat veel van deze broodnodige slaven en slavinnen eens vrije, zelfverzekerde mensen waren geweest, vergelijkbaar met jezelf, was, nemen we aan, moeilijk te verhapstukken. Het was ongetwijfeld verkieslijker om te denken dat slaven niet helemaal ten volle mensen waren, ongeveer zoals wij van de zwerver waar we op straat over heen stappen dat ongeveer denken, of we willen of niet. Het is althans niet gemakkelijk om tot je door te laten dringen dat hij ook je oom had kunnen zijn.

Jezelf vergelijken met iemand die een onmenselijk bestaan leidt, is het moeilijkste - daarom valt het mensen ook zo makkelijk om van anderen, de 'hopelozen', te zeggen dat hun leven geen zin heeft. Of om in te stemmen met de doodwens van iemand wiens lot, vergeleken met dat van je zelf, onverdraaglijk is.

Euripides is de toneelschrijver die zijn tijdgenoten het onverdraaglijke lot van buitgemaakte mensen heeft willen tonen. Het was daarbij, geloof ik, niet in de eerste plaats zijn bedoeling om een soort vormingstoneel ten gunste van de levensomstandigheden van slaven te schrijven. Ook was hij niet uit op afschaffing van de slavernij. Voor begrip van het stuk is het nodig aan te nemen dat slavernij voor de Grieken noodlottig was, een noodzakelijke omstandigheid, net als oorlog of storm op zee. Dit lot kon ook het Griekse publiek treffen, als het een nederlaag zou leiden. En door je dit lot voor te stellen kon je je afvragen wat 'goedheid' nu was, in de betekenis van 'waardigheid'.

Dat het stuk eeuwenlang ongespeeld is gebleven heeft ermee te maken, denk ik, dat een 'verlicht' publiek, gevormd door de idealen van de Franse revolutie, diep in zijn hart natuurlijk het liefst zou zien dat Hekabe, en haar dochter die geofferd moet worden, in opstand zouden komen tegen hun Griekse heren. Zelfs al zouden ze in hun verzet het loodje leggen, dan nog zou hun ondergang te verkiezen zijn boven wat er nu gebeurt. Door tegen het onrecht te strijden zouden ze, om zo te zeggen, ongebroken sterven, terwijl de waarden waarvoor ze opkwamen overeind bleven.

Als je met die gedachte naar het stuk kijkt, zie je inderdaad iets wat op een onbegrijpelijke manier in stukken uiteenvalt. Eigenlijk begrijp je dan al niet dat een jonge vrouw zich 'laat slachten' (want dat is het geval met Hekabe's dochter: die gaat gewillig met haar beul mee); en als deze offerplechtigheid achter de rug is, begrijp je niet wat de vólgende ramp nog zou kunnen toevoegen aan de ellende van Hekabe. Die ramp is de dood van haar zoontje. Hekabe heeft het kind vlak voor de val van haar Troje onder laten duiken bij een vriend.

Het lijkt alsof het stuk, met de onvergetelijke opkomst van het van zeewater druipende lichaampje opnieuw begint. Je weet bijna niet waar je kijken moet van ontzetting, en je staart naar de actrice die Hekabe speelt, Geert de Jong, en naar haar ongeëvenaard rijk geschakeerde verdriet, denkende: Ik wist niet dat na het ene allergrootste verdriet nog een allergrootst verdriet mogelijk was; je stelt je de bijbehorende vragen: wat beleef je nu eigenlijk, je weet toch dat dit verdriet gespeeld is, dat dit allemaal nabootsing is, met wie leef je hier nu eigenlijk mee, hoe is het toch mogelijk dat iets wat onecht is zoveel echter aan kan voelen dan het echtste, wat is dan nog echt.

.

. maar dat het allemaal ook méér van hetzelfde is, nog een keer hetzelfde, alleen dan erger, die gedachte laat je niet los. Het heeft, als je zo kijkt, iets van een marteling bijwonen.

Dat wordt enigszins anders wanneer je tot je door laat dringen dat Euripides zijn eigen Griekse toeschouwers wilde laten nadenken over wat nu eigenlijk een goed mens is. Het stuk stapelt niet zomaar ramp op ramp, maar wil een antwoord geven op de vraag of iemand die in alle opzichten, 'van nature', en zeker door afkomst en opvoeding, goed en nobel genoemd kan worden, dat onder alle omstandigheden ook kan blijven. Euripides wil Hekabe niet zomaar verpletteren onder verdriet, maar hij wil duidelijk maken dat de eerste ramp - de dood van de dochter - het karakter van Hekabe niet aantast, hoe ontzaglijk verdrietig ze ook wordt; en dat de tweede ramp - de dood van haar zoontje - haar 'plotseling' van gedaante doet veranderen. Er verandert iets wezenlijk aan Hekabe wanneer ze eenmaal beseft dat haar kind is vermoord door de man die voor hem zou zorgen. Wij zouden misschien zeggen: ze decompenseert. Euripides maakt haar razend van wraakzucht, en het is volstrekt duidelijk dat de moorden die Hekabe ten slotte pleegt, niet alleen op de moordenaar, maar ook op zijn twee kinderen, beestachtig zijn. Hekabe is moreel gesloopt. Was na de dood van haar dochter haar hart gebroken - nu breekt ook haar voorname goedheid. Ze heeft, ook in de voorstelling, ten slotte iets onmiskenbaar vormeloos, je brengt totaal het respect niet meer voor haar op dat je in het begin opbracht.

Om deze transformatie te kunnen volgen is het, zegt Nussbaum in haar boek The Fragility of Goodness, nodig om te beseffen dat de moordenaar van het kind een gastvriend van Hekabe is geweest, eens, in beter tijden. Gastvriendschappen waren in de oudheid heilig. Het vertrouwen dat je elkaar schonk door elkaar op elkaars erf of hof binnen te laten was een van de hoekstenen waarop een veilig leven was gebaseerd. En een kind onder de hoede van een gastvriend achterlaten - dat was het uitspreken van het allergrootste vertrouwen.

Niet alleen het dode kind sloopt Hekabe, maar ook het besef dat degene die eens het grootste vertrouwen waard was dit geschonden heeft. Misschien was Hekabe's karakter, haar voorname goedheid die voor de Grieken het hoogst bereikbare was, intact gebleven als het kind 'alleen maar' verdronken was. Ze zou eindeloos gerouwd moeten hebben - maar wie weet zou ze, zoals wij dat noemen, zichzelf zijn gebleven, zelfs in slavernij. Maar het besef dat zij verraden is, uitgerekend door de man aan wie zij dat vertrouwen heeft geschonken - dat besef maakt haar ook moreel kapot. Ze wordt de verscheurende, kindermoordende, jankende hond, voor wie niets meer de moeite van het intact laten waard is.

Het is merkwaardig dat we een drama van deze strekking willen bijwonen; het is beslist een daad van het Ro-theater om dit moeilijke stuk, dat zijn innerlijke samenhang niet zomaar prijsgeeft, te willen spelen; en het zegt iets over een bepaald soort veranderde sensibiliteit dat er van de Hekabe zo'n overtuigende voorstelling gemaakt kan worden. Uiteindelijk wil men, geloof ik, met een stuk als dit begrijpen hoe broos datgene is wat we een 'goed karakter' noemen.