'Hulp arme landen richten op export'

ROTTERDAM, 7 APRIL. Het Nederlandse ontwikkelingsbeleid moet zich, als onderdeel van de herijking op het buitenlandse beleid, meer richten op de exportmogelijkheden van de Nederlandse bedrijven, vindt de Federatie voor de Nederlandse Export (Fenedex).

“Zet het Nederlandse beroepsmatige en industriële potentieel beter in voor ontwikkelingssamenwerking. De tijd van vrijblijvende vrijgevigheid, die niet meer is dan een druppel op de gloeiende plaat, is voorbij”, schreef voorzitter A. van Riemsdijk van de Fenedex gisteren in een brief aan de vaste commissie voor economische zaken in de Tweede Kamer.

Volgens Van Riemsdijk verdient het de voorkeur om het beleid te richten op “de goederen en diensten waar Nederland goed in is”. Hij doelt hiermee op de aanleg van wegen, bruggen en kanalen. Van Riemsdijk: “in de Nederlandse ontwikkelingshulp wordt niet veel aandacht besteed aan de infrastructuur, terwijl volgens de Wereldbank een adequate infrastructuur een belangrijke positieve uitwerking heeft op de economische ontwikkeling.”

VVD-leider Bolkestein pleitte in februari voor een vermindering van de bijdragen aan Europa en ontwikkelingssamenwerking. In Nederland is ongeveer 6,3 miljard gulden op de begroting gereserveerd voor ontwikkelingssamenwerking. Hiervan is circa 320 miljoen gulden bestemd voor het bedrijfsleven om projecten op te zetten. “Een fractie”, noemt Van Riemsdijk het bedrag. “Wij vinden dat wij een goede bijdrage kunnen leveren in het ontwikkelingsbeleid. Het gaat ons niet uitsluitend om het binnenhalen van orders.”

Volgens hem profiteert niet alleen het Nederlandse bedrijfsleven van de bouw van bruggen en wegen en de aanleg van kanalen. De bouw van eventuele projecten levert werk op voor de lokale bevolking. “De landbouwproduktie zal bovendien beter van de grond komen, wanneer er goede transportmogelijkheden zijn. Landen zullen beter kunnen concurreren op de wereldmarkt.”

De Fenedex-voorzitter wil ook graag dat de rol van de Nederlandse ambassades op economisch gebied wordt versterkt. Hij vindt dat het beleid “te veel wordt uitgestippeld in Brussel, Bonn en Parijs”. “Zodra er wat besloten moet worden, hollen de ministers naar Brussel. In de grote 'groeilanden' van Azië zouden de ambassades versterkt moeten worden met goed getrainde, commercieel aangelegde mensen.”

Van Riemsdijk komt tot zijn betoog omdat hij “steeds meer geluiden hoort van ondernemers die vinden dat de onwikkelingshulp minder moet, vanwege het geringe rendement”. Riemsdijk: “de verbetering van de handelsrelatie zou beter zijn. Het is niet zo dat Nederlandse hulp wordt misgund aan landen. Het moet alleen efficiënter gebeuren.”

De vice-voorzitter van de commissie voor economische zaken in de Tweede Kamer, VVD'er A. van Erp, onderschrijft de mening van Fenedex. Hij vraagt zich af “waarom er niet eerder wordt gedaan wat zij willen”. Van Erp: “we hebben de situatie grondig bekeken. Wij zijn zeer onder de indruk gekomen van de brief en de toelichting die zij daarop hebben gegeven. De argumenten die zijn geven, zijn zeer sterk.” Van Erp kondigde aan dat hij de brief zal gebruiken in het debat over de herijking.