Huilen op een melkkrukje

Herbert Achternbusch: Hundstage. Uitg. S.Fischer, 217 blz. Prijs (geb.) ƒ65,60.

Op foto's ziet Herbert Achternbusch, die graag duister voor zich uit mag staren, er ietwat griezelig uit. 'Ben ik pervers?' vraagt de schrijver zich af, in zijn nieuwe roman Hundstage, en het antwoord volgt in de vorm van een zeer lange monoloog. Hij is vaak alleen, deze schrijver en ik-verteller. En vaak zit hij te huilen, op een krukje dat zijn grootouders gebruikten als zij de koeien melkten. Het krukje koestert hij als een fetisj, net als zijn blinkende samurai-zwaard. Daarmee kerft hij een keer zijn been open omdat hij zijn bloed wil zien.

Achternbusch' literaire alter ego, een naamloze schrijver en textielhandelaar, reageert nogal heftig op de dingen die hem overkomen. En het ergste dat hem ooit is overkomen, is het vertrek van Paula, zijn vriendin. Paula was mooi en jong terwijl hij oud is en afgetakeld. Dat Paula wat bijverdiende met prostitutie werkt slechts in haar voordeel. Zo geniet de verstoten minnaar bij de herinnering aan de pijn die Paula zei te voelen wanneer ze gepenetreerd werd door een al te fors gebouwde klant. De schrijver geniet omdat hij zichzelf daar al in dat peeskamertje ziet liggen, als hoer en vrouw en underdog.

Ja, de held in Hundstage ìs pervers en bovendien masochistisch - en die gevoelens beschrijft hij prachtig. Ongeremd en puur is dit proza; het laat zich lezen als één groot gedicht dat steeds van toon verandert. Aforismen, rijmpjes, bikkelharde statements en aandoenlijke woordspelletjes: bij Achternbusch kan het allemaal, en het lijkt hem niet te deren dat er weleens een kreupele zin tussen zit. Als hij zijn hart maar kan luchten. Soms maakt hij zich druk om de politiek, vooral om het oprukkende rechts-extremisme, en dan klinkt zijn stem ineens plechtig. En natuurlijk daalt Achternbusch, zoals in al zijn romans, films en toneelstukken, weer af naar de Hades van zijn jeugd. Een haat-liefdeverhouding heeft Herbert, buitenechtelijk kind van een drinkebroer en een bloem uit de provincie, met zijn familie en met alle simpele zielen op het Beierse platteland. En haast altijd heeft zijn woede een grote poëtische kracht: net als de 32 inkttekeningen waarmee de schrijver het boek illustreerde.