Gebakken billetjes

Tatjana Wassiljewa: Iedere dag telt. Vert. Annelies Hazenberg. Uitg. Lemniscaat, 156 blz. Prijs ƒ27,50.

Paul Biegel: De karabijn. Over een kleine jongen in de oorlog. Uitg. Holland, 61 blz. Prijs ƒ18,90.

Tatjana Wassiljewa is begin 1941 een gelukkig Russisch meisje, met een mooie moeder die heerlijke honingkoeken kan bakken, met een oude grammofoon waarbij ze als er gasten zijn 'de kleine zwaantjes' uit het Zwanenmeer danst waarop de gasten heel beleefd zeggen: 'Ach wat schattig', met een schriftje waarin ze alles opschrijft over haarzelf en haar familie wat ze zich kan herinneren vanaf haar vijfde jaar en dat ze 'Dagboek van de gelukkige dagen' noemt. Daarmee is het geluk meteen voorbij. Het is 1941, de Duitsers hebben Rusland aangevallen en weldra moet ze een 'heel ongelukkige dag' beschrijven: in het dorp even buiten Leningrad waar ze de zomer doorbrengen in een datsja begint de oorlog ook. Elke nacht vallen er bommen. 'Telkens wanneer er een bom ontploft schreeuw ik: 'Ik wil leven, ik wil leven!'

' Die uitroep zet de toon voor het boek. Tatjana Wassiljewa wil leven. Uit haar boek Iedere dag telt spreekt een bijna ontembare vitaliteit, al zijn er momenten dat ze het op wil geven van honger en uitputting.

Iedere dag telt is een onthutsend boek. Het is het oorlogsverslag van een kind, heel direct en eenvoudig geschreven, voor een groot deel in de vorm van brieven aan moeder. Bedachte brieven, want in de Duitse werkkampen waar het vijftienjarige meisje terecht komt heeft ze niet de beschikking over papier en potlood. Alleen aan het begin en het eind van het boek zijn er wat zinnen uit dagboeken geciteerd, of misschien zijn die ook wel verzonnen, dat is niet uit te maken, omdat alles dezelfde volkomen authentieke toon heeft. Dit is geen roman, het is allemaal wáár, maar dat we dat zo onontkoombaar voelen komt door Wassiljewa's stijl, de stijl van iemand die wel kan schrijven maar niets literairs van plan is, de stijl van iemand die zich inleeft in het kinderhoofd dat ooit het hare was en die daar geen volwassen gemoraliseer of versiersels aan toe heeft gevoegd.

Tatjana heeft dus bij voorbeeld ook niet het mooie volwassen inzicht dat de Duitsers ook veel geleden hebben onder de oorlog. Hoewel ze sommige Duitsers heel aardig vindt, blijft ze toch eenvoudig denken over 'de onzen' en de vijand, en een Duitse vrouw die haar helpt en te eten geeft en tegen haar praat over haar zoon aan het front bij Stalingrad om wie ze zich zo bezorgd maakt, vindt ze lief maar onbegrijpelijk. 'En dan zoekt ze troost bij mij! dacht ik. Uitgerekend bij mij.' De zoon vertegenwoordigt immers bij uitstek de vijand door wie Tatjana is gedeporteerd naar een vreemd land, en die zoon is bezig tegen háár landgenoten te vechten. In dit kinderhoofd wordt daar niets overkoepelends over het lijden en de machteloosheid van iedereen tegenover gesteld, zij denkt aan haar eigen lot en de vrouw hoort bij de machthebbers, hoe dan ook.

Die hardheid, die onderdeel van haar kracht en haar vitaliteit is, is heel natuurlijk en overtuigend. Hij is kinderlijk, maar niet pedagogisch, zoals dit hele boek een overtuigend beeld geeft van wat de wil tot overleven betekent - en dat is niet steeds iets romantisch' of opvoedends.

Heel anders van toon is Paul Biegels De karabijn, het verhaal van een kleine Nederlandse jongen in de oorlog, door een volwassene verteld aan een jeugdig publiek ('Wat ik jullie ga vertellen is gebeurd op een klein boerderijtje.') De gebeurtenissen zijn vergelijkbaar en tegelijkertijd helemaal niet. De Nederlandse jongen heeft honger maar die staat noch wat hevigheid noch wat duur betreft in verhouding tot wat Tatjana mee moet maken. De vader van Jeroen wordt opgepakt en naar Duitsland gestuurd, Tatjana wordt zelf, jong als ze is, van haar familie weggevoerd, nadat haar vader al gestorven is. Het lot van het Russische meisje is vele malen zwaarder, maar Biegel gaat, veel meer dan Wassiljewa, in op de gevoelens die het kind overspoelen.

Jeroen mist zijn vader ondraaglijk, hij barst los in onredelijke driftbuien waarbij hij Duitse soldaten aanvliegt of wil aanvliegen, hij huilt en stampvoet en Biegel portretteert hem liefdevol zowel in zijn zwakheid als in zijn flinkheid. Wassiljewa maakt haar gemis voelbaar door almaar in gedachten aan haar moeder te schrijven en tegen haar te praten. Zij is ontroerend juist door haar gedistantieerdheid, Biegel doet meer zijn best om ons tot inleving te verleiden. En dat lukt hem ook.

De wereld die Biegel beschrijft is erg Nederlands en ondanks alles ook erg veilig, met een hartelijke moeder en lieve familiegrapjes. Jeroen gaat op de kachel zitten nadat hij hem met zo min mogelijk brandhout heeft aangestoken en hij voelt hoe het warmer en warmer wordt, 'tot hij auw! er vanaf sprong. 'Blijf zitten jongen!' riep Annie. 'Dan hebben we straks lekker gebakken billetjes!'

' Zo goeiig. Zo maakt Tatjana Wassiljewa het niet mee.