Een beetje angstig je nek uitsteken; Geschiedenis van cabaretgroep Lurelei

Cabaretgroep Lurelei begon aan het einde van de jaren vijftig met teksten met een vriendelijke, licht absurdistische sfeer. De groep van Eric Herfst en Ben Rowold werd al snel uitgebreid met talenten als Jasperina de Jong en Kees van Kooten. De doorbraak kwam toen Guus Vleugel teksten voor het gezelschap begon te schrijven. “Ik wou mijn medestanders een kat geven.”

Paul Blom: Lurelei, de geschiedenis van een cabaret. Theater Instituut Nederland, 512 blz. Prijs ƒ65. De gelijknamige videoband kost ƒ10.

'Het zou ons niets verbazen, als zij nog eens heel goed werden,' schreef H.A. Gomperts, de vooraanstaande theatercriticus van Het Parool, op 26 oktober 1959 in een recensie over het optreden van het prille cabaretgroepje Lurelei. En dat werden ze. Ik kijk naar een videoband die zojuist is uitgebracht, en zie een groep twintigers met uitdagend stoute gezichten, die in een verpakking van traditionele revue-pasjes liedjes zingen en sketches spelen waarin heel precies en heel malicieus de tijdgeest wordt gefileerd. Ze hebben jonge hoofdjes en ranke lijfjes, gehuld in strakke rokjes en strakke kostuums met witte overhemden en dunne stropdasjes - zo sexy was cabaret nog nooit geweest - en ze kijken in de camera met een air van: wij zijn de beste. En dat waren ze.

Eric Herfst en Ben Rowold, vrienden van de mulo, de kweekschool en de AJC, hadden aardigheid in mime en cabaret. Herfst was de man van de subtiel-komische beweging en Rowold schreef teksten in de vriendelijke, licht-absurde sfeer die in de jaren vijftig opgeld deed. Hun voorbeelden waren ensembles. Mime werd gespeeld door groepjes. Cabaretvoorstellingen ook. Wim Kan had zijn ABC-cabaret, Wim Sonneveld had een groep met vaste medewerkers als Conny Stuart en Joop Doderer en Toon Hermans stelde elk seizoen een nieuw, revue-achtig programma samen met een telkens wisselende groep. Hermans was in 1956 weliswaar de eerste in Nederland die de ensemble-vorm inruilde voor de one man show, maar hij bleef jarenlang ook de enige.

Geen wonder dat de twee jongelieden uit Amsterdam-Noord maar één manier wisten om uitvoering te geven aan hun ideeën: er moest een groep worden opgericht. In de eerste Lurelei-bezetting werden ze vergezeld door een pianist, een gitarist en de jonge actrice Adèle Bloemendaal. Haar plaats werd in 1960 overgenomen door een nog onbekender meisje dat Jasperina de Jong heette. Sindsdien werd de kerngroep elk seizoen aangevuld met anderen, onder wie de nieuwe talenten Sylvia de Leur en Marjan Berk, de acteurs Leen Jongewaard en John Lanting, de beginnende cabaretier Kees van Kooten en de liedjeszanger Gerard Cox. De teksten werden in het begin voornamelijk door Ben Rowold geschreven, maar daarnaast werd ook materiaal van anderen gekocht - zo deden Kan en Sonneveld het ook. Lurelei betrok onder meer nummers van Remco Campert, Alexander Pola, Jaap van de Merwe en Marijke van Dalen (de latere Höweler).

Een typerend liedje van Marijke van Dalen begon zo:

Omdat ie toen al last had van z'n oren

Werd Willem met een petje op geboren

En ach, de wereld is bezeten

Maar dat kon Willem nog niet weten...

En een typerende sketch van Remco Campert begon zo:

Agent: Pardon meneer, u kunt niet passeren, het is hier Bervoden Toegang.

Man: Pardon?

Agent: Vervoden Toegang. U kunt hier niet langs.

Man: Neemt u me niet kwalijk. Dat wist ik niet. Dan ga ik maar door gindse straat.

Agent: Wacht u eens even. Eigenlijk mag u hier nog wel langs. Het is hier weliswaar Vervloden Oegang, maar zolang ik die twee woorden niet op de juiste en voorgeschreven manier uit kan spreken, kan van u niet verwacht worden, dat u mijn mededeling verstaan en begrepen heeft. Begrijpt u?

Lieve grapjes van een lief en aardig groepje, dat volgens Gomperts een belofte in zich hield, maar die in de beginjaren nog lang niet inloste. De ideale combinatie ontstond pas, toen Eric Herfst en Jasperina de Jong in het begin van de jaren zestig contact legden met de jonge tekstdichter Guus Vleugel, die zijn eerste liedjes had verkocht aan het cabaret van Wim Sonneveld.

Gaandeweg droeg Vleugel steeds meer bij aan de Lurelei-programma's - en vanaf 1964 schreef hij elk seizoen vrijwel het gehele programma.

Wat zijn teksten destijds uniek maakte, heeft hij niet eerder zo duidelijk geformuleerd als in het pas verschenen boek Lurelei, de geschiedenis van een cabaret van de theaterwetenschapper Paul Blom. 'Wim Sonneveld was een echte vakman,' zegt Vleugel, terugkijkend op de eerste jaren. 'Vooral door er met Wim over te praten, heb ik begrepen hoe theater werkt. Bij hem heb ik ook geleerd wat ik truttig vind. Hij had namelijk erg de mentaliteit van: daar lachen wij nu om in de kleedkamer, maar dat kan je niet zeggen op het toneel. Ik weet dat ik toen dacht: dat moet je wèl zeggen. Je moet juist op het toneel zèggen waar je onder elkaar om lacht.' Guus Vleugel ging voor Lurelei de dingen schrijven waar ze onder elkaar om moesten lachen - en dat was nieuw. Het versterkte de sfeer van de samenzwering tussen artiesten en publiek. Men lachte gezamenlijk om de anderen, de niet-aanwezigen die natuurlijk veel te dom of te kortzichtig zouden zijn om te begrijpen wat er te lachen viel.

In zijn boek van baksteenformaat reconstrueert Blom de geschiedenis door zoveel mogelijk betrokkenen rechtstreeks aan het woord te laten, zonder de tussenkomst van een alwetende en alles interpreterende verteller, en door alle teksten van alle Lurelei-programma's (1958-1967) af te drukken. Het resultaat is een minutieus relaas, waaruit veel is af te lezen.

Bijvoorbeeld dat Lurelei weliswaar een links-geëngageerd imago koesterde, maar minstens zo vaak de spot dreef met de omgangsvormen en de Pavlov-reacties van de linkse rebellen uit de jaren zestig. Vleugel had daar soms maar heel weinig woorden voor nodig. Zo voerde hij in het nummer De verontrusten twee dames op, naar aanleiding van de gewoonte om bij het minste of geringste van 'verontrusting' blijk te geven. Herhaaldelijk richtten prominente landgenoten zich op opgewonden toon tot de Nederlandse regering of het Nederlandse volk onder het motto: 'wij zijn verontrust'. Dame één begon het nummer met te zeggen dat ze niet verontrust was. Waarop dame twee zong: 'Kind, het is gewoon een must / iedereen is verontrust.' En zo speelde Sylvia de Leur een mevrouw die gretig deelnam aan de toenmalige sitdown-acties, niet wegens de strekking van het protest, maar omdat ze het zo lekker vond telkens door potige politiemannen te worden opgetild.

Koningin Juliana

Graag schaarde de groep zich aan de zijde van hen die iets van de macht van de autoriteiten trachtten af te krabben, maar ook het eigen kamp was allerminst veilig voor de ondeugende spotlust die Lurelei karakteriseerde. Het beroemdste en meest omstreden nummer, het door Gerard Cox zo scherp gearticuleerde Arme ouwe, bevatte pesterige passages over koningin Juliana ('Er is heel wat aan d'r loos, dat weet ik best/ maar mijn moeder heeft dezelfde mankementen/ die is ook zo bijgelovig als de pest/ die is af en toe ook aardig op de centen...'), maar tekent tegelijk de gemengde gevoelens van een Provo die moet beantwoorden aan het verwachtingspatroon van zijn omgeving. 'Dat fanatieke ligt me helemaal niet,' aldus Vleugel. 'Ik wou mijn medestanders een kat geven. Medestanders die ook tegen de monarchie zijn. En je krijgt een kat van dat liedje. Tenminste bij mij gaat dat zo. Hoe beter ik schrijf, hoe meer het eigenlijk tegen me in is.'

'Bij cabaret moet je vitaliteit hebben, souplesse en schijt aan alles,' zegt Marjan Berk dan ook. 'Een beetje angstig je nek uitsteken, dat levert het mooiste resultaat op. Tweedimensionaal geschreeuw is niet interessant. Bange mensen die toch doen wat ze moeten doen, doen de mooiste dingen. Angstloos gedrag is niet interessant.'

Machtsverhoudingen

Gedetailleerd ontrafelt Paul Blom ook de machtsverhoudingen die binnen het ensemble een rol gingen spelen - en uiteindelijk tot de opheffing leidden. Jasperina de Jong was door haar talent uitgegroeid tot de grootste attractie (zie op de videoband hoe subliem ze de schijnheilige mevrouw speelde die zich beklaagt over de 'jodenmensen' die ze op haar trap heeft gekregen) en werd het middelpunt van andere produkties. Van de anderen zette Gerard Cox aanvankelijk de ensemble-traditie voort in een succescombinatie met Adèle Bloemendaal en Frans Halsema. In het boek zegt Cox dat hij zich bij Lurelei graag optrok aan het talent van Jasperina de Jong: 'Dat is het leuke van werken bij een goed gezelschap, dat je er zelf een stuk beter van wordt. Dat bestaat niet meer en dat is jammer. Al die kinderen kruipen het toneel op met een one man of one woman show, maar ik denk niet dat je daar veel beter van wordt op den duur.'

In de jaren zeventig werd Lurelei nog nagevolgd door het speelse Kabaret Ivo de Wijs, het sardonische Don Quishocking, het luchtige Tekstpierement (van Jos Brink en Frank Sanders) en de beginnende groep Nar. Zij hielden zich als laatste ensembles staande tijdens de storm die door Freek de Jonge en Bram Vermeulen werd ontketend met Neerlands Hoop. Wie zich sindsdien aan een voorbeeld wilde spiegelen, spiegelde zich aan Freek de Jonge en ging solo-voorstellingen maken. Youp van 't Hek maakte zich los uit Nar en werd diens eerste navolger. En nu spiegelt menig jong talent zich aan Youp van 't Hek. Het solo-optreden is zo vanzelfsprekend geworden, dat niemand zich meer afvraagt of hij wel boeiend genoeg is om eigenhandig een hele avond te vullen. Daarmee raakte de ensemble-vorm, met die inspirerende afwisseling van groepsnummers, sololiedjes, duetten, dialogen, monologen en sketches, uit de tijd. Dat is inderdaad jammer.