Een bad brengt geen verlichting; Het compromisloze schrijversleven van H.C. ten Berge

H.C. ten Berge: De honkvaste reiziger. Dagboekbladen, veldnotities. Uitg. Meulenhoff, 248 blz. Prijs: ƒ 39,90.

H.C. ten Berge is een auteur waar sommige jonge schrijvers gretig grapjes over maken. 'De haren rezen H.C. ten Berge', staat er ergens in het kwajongensboek Kwadraats Groot Literair Lees Kijk Knutsel En Doe Vakantie Boek van onder anderen Ronald Giphart. Verwonderlijk is dat niet, nieuwe mandarijnen maken de oude graag belachelijk. Bovendien belichaamt Ten Berge, net als de veelgeplaagde Jeroen Brouwers, iets als het Onvoorwaardelijke Schrijverschap. Op een manier die in de ogen van een aantal jonge auteurs-entertainers ('Schrijven is leuk!') lachwekkend theatraal is.

Ook behoort Ten Berge tot een literaire generatie die hoog heeft ingezet. Om Ten Berge zelf, schrijvend over Daniël Robberechts, te citeren: 'Er wordt voortdurend nagedacht over de wijze waarop geschreven en verteld zou kunnen worden. Wat eerder in de poëzie gebeurde, voltrekt zich nu in het proza: er is aandacht voor het experiment en men gaat op zoek naar de grenzen van het verstaanbare.' Dat kun je lezen ook, spot men nu. Niet ten onrechte. En schrijvers die hun romans De grote schaamlippen (Robberechts) of Mijn naam is Schurft (Ten Berge) noemen, maken zichzelf ook wel heel kwetsbaar.

Maar daarmee is het laatste woord niet gezegd, blijkt uit De honkvaste reiziger. Dat is duidelijk geworteld in een beduidend minder ironisch literair klimaat dan het huidige. En juist daardoor verrassend verfrissend.

De titel suggereert een willekeurige reeks uitstapjes in de literatuurgeschiedenis. Dat is schijn. De rode draad van de tientallen autobiografische aantekeningen en essayistische 'veldnotities' is een tamelijk dwingend thema: dat van de gedreven auteur die zijn dagelijkse leven aan (de vernieuwing van) de literatuur offert. Meestal krijgt hij daar miskenning en vergetelheid voor terug. Maar hij blijft offeren en is uiteindelijk niet ontevreden.

Aan het slot van zijn bundel vat Ten Berge deze houding samen in een aan de Griekse mythologie ontleende metafoor. Net als Heracles verbrandt 'de compromisloze' in het hemd 'dat hij zichzelf heeft aangetrokken'. 'Het is met hem vergroeid, een gift en een gif tegelijk. Hij is zijn eigen brandoffer.' Als persoon, schrijft Ten Berge, zal zo'n auteur 'niet meer uit de as van de verbranding verrijzen.' Maar hij laat iets na dat 'zijn geluk en trots' is: 'De materie die hij naar zijn hand heeft gezet.'

Die niet heel opzienbarende conclusie is misschien logisch en noodzakelijk als slotakkoord, maar in de bundel zelf is het Ten Berge om iets heel anders te doen: een compromisloos onderzoek van het compromisloze schrijversleven. Daarbij is van geluk en trots nauwelijks sprake. Gelukkig maar, dat zou het boek inderdaad theatráál hebben gemaakt en veel van de lading die het nu heeft, hebben weggenomen.

Het profiel van die 'compromisloze' schrijver zoals dat in De honkvaste reiziger gestalte krijgt, is deels zelfportret, deels een collage van portretten van andere auteurs. Ten Berge kijkt hoe bezeten kunstenaars als Flaubert, Stefan Zweig, F.C.

Terborgh en Daniël Robberechts het - al dan niet - 'gered' hebben.

Vooral het portret van de door zelfmoord gestorven Robberechts is, door de pijnlijke eerlijkheid die Ten Berge er betracht, een hoogtepunt in het boek. 'De strenge instelling met betrekking tot taal en literatuur, de onbuigzaam-absolute schrijvershouding, de mentale en fysieke afzondering waarin hij verkeerde - dat alles deed mij huiveren.'

Ook plaatst Ten Berge Salman Rushdie in een lijn van andere schrijvers die om hun compromisloosheid vervolgd werden, is hij boos zo niet rancuneus over de grillen van de literaire journalistiek en buigt hij zich over de machteloosheid van de geëngageerde schrijver. 'Vooralsnog lijkt de houding van Camus, samengevat in de woorden solitair-solidair, het hoogst bereikbare voor de in afzondering werkende schrijver en kunstenaar.'

Deze 'veldnotities' worden afgewisseld met dagboekfragmenten waarin Ten Berge zijn eigen solitaire bestaan schetst. Niet, is mijn indruk, om zich met genoemde grootheden te meten. Eerder om het portret van de compromisloze auteur te completeren. Ten Berge doet dat op een mooie, indirecte manier. Schrijvend over een dramatisch incident in het leven van Henri Michaux merkt hij op: 'Hij wilde zijn smart niet blootleggen voor de wereld.' Dat geldt ook voor Ten Berges zelfportret.

De druk van het solitaire bestaan ('Bij gebrek aan een boezemvriend mompel ik me dagelijks door tal van bezigheden heen') blijkt meer uit de talloze, doorgaans sombere weerberichten in het boek dan uit expliciete klachten. De 'smart' gaat schuil achter zinnen als 'Een bad bracht geen verlichting'. Of achter tegenslagen die weinig met het schrijverschap te maken hebben.

Zo beschrijft Ten Berge met knorrige zelfspot hoe een storm heeft huisgehouden na een nacht vol 'angstdromen omtrent de toekomst'. 'Wat nu weer! Gemene stormvlagen uit het noordwesten, sommige met orkaankracht. In de vroege ochtend - het was nog donker - is met een scheurend geluid het dak van ons huis gewaaid.'

'Wat nu weer!': de meest kernachtige én meest onthullende autobiografie ooit in één zin geschreven.

Uit: H.C. TEN BERGE, DE HONKVASTE REIZIGER

Broomkalium? Nee. Eczeem op het voorhoofd? Evenmin. Toch is mijn zelfrespect dalende. Ik kan mij echter troosten met de brieven van Flaubert, zoals deze zich op zijn beurt warmde aan de milde kalmerende woorden van de moederlijke Sand. Het neemt niet weg dat ook ik hevig twijfel aan het boek dat ik me steeds weer voorneem te schrijven. De ondanks alles aanwezige werklust kan ik in het voetspoor van de meester vergelijken met zijn huiduitslag: 'Ik krab me, terwijl ik het uitschreeuw.'