Drugspolitiek

ALS BELEID BIJ herhaling opnieuw moet worden uitgelegd, kan dat twee oorzaken hebben. Of de toehoorders willen het niet begrijpen, of het beleid ìs niet te begrijpen. In alle gevallen heeft de betrokken bestuurder een probleem. De Nederlandse drugspolitiek is een schoolvoorbeeld van onbegrepen beleid. Het buitenland wil het veelal, soms om binnenlands politieke redenen, niet begrijpen - zie de regelmatig terugkerende uitlatingen van de Franse minister Pasqua - maar kan het tevens ook moeilijk begrijpen.

Het Nederlandse gedoogbeleid. In het omringende buitenland leidt het tot scepsis. Zeker met de praktische betekenis die er aan gegeven wordt, is het zo'n specifiek Nederlands woord dat het in feite onvertaalbaar is. Soft drugs, het mag niet en het mag wel. Vóór in de zaak mogen soft drugs onder voorwaarden aan gebruikers verhandeld worden, maar formeel mag aan de achterdeur de groothandel niet afleveren. Zo wordt op dit terrein de 'grote leugen' in stand gehouden. Want iedereen weet dat zonder groothandel de levering van soft drugs aan particulieren onmogelijk is. Ergens klopt er dus iets niet. Minister Sorgdrager van justitie is overigens de eerste om dat te erkennen. Zij noemde het begin dit jaar “hypocriet” dat aan de ene kant de verkoop van soft drugs door coffeeshops wordt gedoogd, maar dat niet is geregeld hoe diezelfde coffeeshops aan hun handel moeten komen.

Het is vragen om een groot illegaal circuit met alle criminele nevenactiviteiten die daaraan zijn verbonden. Ziet alleen het buitenland de schaduwzijden van het Nederlandse systeem? Nee, want in toenemende mate blijken ook lokale binnenlandse bestuurders zich geen raad te weten met wat de nationale overheid op dit terrein eigenlijk voorstaat. De kentering begon vorig jaar in het Oosten van het land. Geconfronteerd met steeds meer overlast van drugstoeristen uit Duitsland, vaardigden de gemeentebesturen van Enschede en Almelo verordeningen uit met als bedoeling de groeiende activiteiten van coffeeshops aan banden te leggen. In plaatsen in de Limburgse grensstreken was sprake van soortgelijke initiatieven. Het heeft nogal eens geleid tot ondoorzichtiger en dus nog slechter te handhaven regelgeving. Een aanvaardbaar leefklimaat rechtvaardigt een stringent vergunningenbeleid sprak de Raad van State vorig jaar uit. Maar wat is de praktische betekenis van de bepaling dat de verkoop van soft drugs in coffeeshops beperkt moet blijven tot het vaste klantenbestand?

NU OOK HET college van B en W van Amsterdam van plan is het coffeeshop-wezen drastisch aan te pakken, is de vraag gewettigd in hoeverre het enkele jaren geleden binnengeslopen gedoogbeleid eigenlijk nog over een maatschappelijk-bestuurlijk draagvlak beschikt. Want terwijl de eerstverantwoordelijke minister in Den Haag nog kijkt hoe het verschil in benadering van de voor- en de achterdeur kan worden weggewerkt, lijken steeds meer gemeentebesturen ertoe over te gaan de voordeur dicht te spijkeren. Gebrek aan helder Haags beleid heeft daaroe geleid. Het zijn immers de gemeenten die in de sfeer van overlast worden opgezadeld met de gevolgen van het niet uitvoeren van de opiumwet.

Burgemeester Patijn van Amsterdam liet zich enkele weken geleden ontvallen dat hij niet de “malle Eppie” van het drugsbeleid wenste worden. Om te voorkomen dat de burgmeester die bijnaam krijgt, wil Amsterdam een 'uitsterfbeleid' ten aanzien van coffeeshops gaan voeren. De voornemens van de diverse lokale autoriteiten wijzen allemaal ontegenzeggelijk in de richting van een correctie op het gedoogbeleid.

IN DEZE ONTWIKKELING valt de stilte vanuit Den Haag des te meer op. D66-minister Sorgdrager wil samen met haar collega's van volksgezondheid en binnenlandse zaken nog voor de zomer een nota over het drugsbeleid uitbrengen. De politiek ten aanzien van soft drugs zal in het stuk zeker een prominente plaats innemen. Dit zou betekenen dat na een jarenlang beleid van ogen sluiten voor de werkelijkheid, duidelijk wordt gemaakt wat wel en wat niet mag. De tragiek is echter dat wat Den Haag vindt, er op dit moment weinig meer toe doet. Volgens de aloude politieke wet zijn plaatselijke besturen, zij het noodgedwongen, in het ontstane machtsvacuüm gesprongen. Sturen hoeft het kabinet dus niet meer, aanpassen aan de in het land gecreëerde feiten is voldoende.