Driekwart jeugdige criminelen psychisch gestoord

UTRECHT, 7 APRIL. Rechters verwijzen jeugdige criminelen te weinig naar de psychiater. Driekwart van alle minderjarige delinquenten die voor de kinderrechter verschijnen, heeft ernstige psychiatrische problemen. De rechter zou daarom veel vaker dan nu het geval is, diagnostisch onderzoek moeten aanvragen voor deze groep delinqenten.

Tot deze conclusies komt forensisch jeugdpsychiater Th. Doreleijers in zijn proefschrift Diagnostiek tussen jeugdstrafrecht en hulpverlening. Vandaag verdedigde hij zijn proefschrift bij de faculteit Geneeskunde van de Universiteit Utrecht.

In de huidige situatie wordt op te willekeurige wijze voor nog niet de helft van de gestoorde jeugdige delinquenten een diagnostisch onderzoek aangevraagd, aldus Doreleijers. Zo'n onderzoek dient als advies voor de rechter over de mate van toerekeningsvatbaarheid van de jonge crimineel, maar ook als advies voor de juiste hulpverlening. Doreleijers: “Het komt voor dat een betrekkelijk lichte delinquent naar de psychiater wordt gestuurd, terwijl iemand die een ander op een verschrikkelijke zieke manier in elkaar slaat, niet wordt onderzocht omdat het de eerste keer is dat hij of zij met justitie in aanraking komt. Daarom moeten we een duidelijk protocol ontwerpen, aan de hand waarvan een verantwoorde beslissing genomen kan worden over psychiatrisch onderzoek.”

Doreleijers verklaart het negeren van psychiatrische problemen bij jongeren uit de “onwetendheid” van instanties die met jeugdige delinquenten te maken hebben. Doreleijers: “Onderken je die stoornis en komt adequate hulp op gang, dan wordt een kind in een aantal gevallen geholpen en voorkom je een verdere criminele ontwikkeling.”

Doreleijers, hoofd van de afdeling Jeugdpsychiatrie in het Juliana Kinderziekenhuis in Den Haag, is als getuige-deskundige verbonden aan de Haagse rechtbank. Hij vroeg zich af wat de rechter met zijn advies deed en wat er terecht kwam van jongere delinquenten die hij ooit had onderzocht. Voor zijn onderzoek onderwierp hij 108 minderjarige jongeren die voor de kinderrechter moesten verschijnen aan een grondig onderzoek, dat bestond uit gesprekken en diagnostisch onderzoek van zowel de delinquent als zijn ouders of familie. Naast de rechters van het arrondissment Den Haag verleenden ook de kinderrechters van de arrondissementen Breda en Amsterdam hun medewerking aan het onderzoek.

Doreleijers: “Als je voor de kinderrechter moet verschijnen heb je heel wat op je geweten. Dan ben je meerdere malen met de politie in aanraking geweest. In het onderzoek bleek dat het om totaal vastgelopen jongens gaat.” Volgens de jeugdspsychiater moet op dat moment aan de hand van een protocol gegeken worden of zo'n jongen onderzocht moet worden. Doreleijers: “Niet eerder, dat heeft geen zin. Als je iedereen zou laten onderzoeken die in een politiecel terechtkomt, is het einde zoek. Een multi-disciplinair onderzoek kost zo'n tweeduizend gulden, daar is een psychiater, een psycholoog en een maatschappelijk werker bij betrokken.”

Voor een aantal minderjarige delinquenten acht Doreleijers het in ieder geval noodzakelijk dat zij onderzocht worden. De kinderrechter zou alle voorgeleide jongeren van 12-15 jaar linea recta naar de psychiater moeten sturen. Uit het onderzoek is namelijk gebleken dat van deze zeer jonge delinquenten één op de drie een hersenstoornis heeft die persisteert tot in de volwassenheid.

Zij lijden aan een aandachtstekortstoornis (ADHD). De term is ongelukkig gekozen - het betreft eigenlijk een concentratiestoornis. Deze jongeren denken niet na voordat zij iets doen. Doreleijers: “Ze zijn ongeremd in hun daden en kunnen niet stil blijven zitten. Als niet onderkend wordt dat dit het gevolg is van een stoornis in de hersenen - die behandeld kan worden - wordt het kind te vaak gestraft of zelfs geslagen terwijl zij er eigenlijk niets aan kunnen doen dat zij zo druk zijn. Inmiddels is wetenschappelijk bewezen dat dit gedrag verankerd ligt in de hersenen op biochemisch niveau. Erfelijke factoren spelen daarbij zeker een rol.”

Doreleijers ontvangt regelmatig ouders van kinderen met een dergelijke stoornis die zich - na de behandeling - afvragen waarom hen dat nooit eerder verteld is. Al jaren terroriseren zulke kinderen het gezin, de buurt en de klas. Vanaf het moment dat de ADHD onderdrukt werd met medicijnen die de biochemie in de hersenen beïnvloeden, komen de kinderen meestal niet meer in aanraking met de politie.

De jeugdpsychiater meent dat er in de jeugdhulpverlening onvoldoende gebruik gemaakt wordt van de beschikbare kennis van de psychiatrie. Doreleijers: “We herkennen nu meer stoornissen. Vroeger noemden we iemand die afwijkend gedrag vertoonde gewoon een rare snuiter.” Als voorbeeld van kennis over stoornissen die vroeger totaal onbekend waren noemt Doreleijers ook het ziektebeeld autisme. Twintig jaar was het begrip autisme wel bekend, maar werd autisme in praktijk nauwelijks herkend. Nu worden er in het Juliana Kinderziekenhuis jaarlijks in zo'n dertig gevallen autistische stoornissen gediagnostiseerd. “Niet omdat er meer autisten geboren worden, maar omdat we de stoornis beter herkennen.”

Jongeren met ADHD kun je niet helemaal verantwoordelijk stellen voor hun daden, vindt Doreleijers. Hij zou hen dan ook verminderd toerekeningsvatbaar willen noemen. “Ze hebben hun hele leven lang zo impulsief gereageerd. Ze zijn vaak genoeg gestraft, maar nooit op de juiste manier aangepakt. Treft hen dan blaam? Ik ben van mening dat zo'n stoornis moet worden vastgesteld. Als ze dan toch voor de rechter moeten verschijnen kun je het jeugdstrafrecht prachtig gebruiken om een behandeling op gang te brengen.”

Naast deze groep van 12- tot 15-jarigen is volgens Doreleijers diagnostisch onderzoek van belang voor alle jongeren die gewelds- of zedendelicten plegen, die zwerven of die verdovende middelen gebruiken in een hoeveelheid dat het hun functioneren ongunstig beïnvloed. Ook kan het van belang zijn bij jongeren die uit een gezin komen waarin geweld gebruikt wordt, van wie de ouders met psychiatrische problemen kampen of van wie andere gezinsleden justitiecontacten hebben.

Volgens Doreleijers betekent dat geenszins dat alle jeugdige delinquenten onderzocht moeten worden. Doreleijers: “Maar de groep moet in ieder geval groter worden. Bij minderjarige delinquenten komen zes à zeven keer zoveel psychiatrische problemen voor als bij jongeren van deze leeftijd in het algemeen. Daar kunen we iets aan doen.”