Brief uit Amerika; Blaffende bedelaars

Tien mannen stonden over een zwarte limousine gebogen. Eerst dacht ik dat er iets met de auto was, maar toen ik dichterbij kwam zag ik dat ze de motorkap als goktafel gebruikten. Ik bleef staan om te kijken. Het was laat in de middag en ik had de hele dag door de stad gelopen. Bovendien was het een mooi gezicht, die tien mannen bovenop een limousine in de weer met een paar dobbelstenen, en daarachter de Brooklynbridge. Tot eentje me in de gaten kreeg en naar me wees. De anderen hielden op met spelen en keken ook naar me. Ik stond op zeker dertig meter afstand. Toch liep ik langzaam verder. Zo een beetje alsof ik net de Brooklynbridge had staan bewonderen. De man die naar me gewezen had kwam achter me aan. Ik ging sneller lopen. Hij liep ook sneller. Hij liep zo snel dat hij steeds dichterbij kwam. Ik ging een café binnen. Er hingen allemaal beha's aan het plafond. Ik had wel eens gehoord van een Parijs café waar ze je stropdassen afknippen. Ik bestelde bier en kreeg een plastic bekertje waar minstens een halve liter in zat. De man die me had achtervolgd zag ik niet meer. Ik ging aan een tafeltje zitten naast de flipperkast. Toen ik terugkwam van de wc zat hij tegenover me. Hij droeg een zwart overhemd, en een zwart jasje met opgerolde mouwen. Hij was kleiner dan ik en kwam vast uit Zuid-Amerika. Ik staarde naar het plafond en dacht eraan hoe merkwaardig het is dat verdriet niet weggespoeld kan worden met bier, maar angst wel.

“Wat kunnen die twee vrouwen lullen”, zei hij, en wees op twee dames naast ons. “Zouden hun tongen nooit moe worden?”

Ik deed alsof ik niets gehoord had. Ik heb geleerd dat elke reactie uitgelegd kan worden als vijandigheid. Toch was ik minder bang dan eerst.

“Moet je kijken hoe die praten”, herhaalde hij. “Dat hun tongen nooit moe worden. Die rechter is trouwens mijn vriendin. Ze spreekt alleen maar Russisch. Dus aan mij heeft ze niet veel.”

Ik zei: “mmm”.

Hij kwam dichter bij me zitten. Toen zei hij, “luister, heb jij iets verkeerds gegeten of zijn we hier op de vismarkt?”

Hij leek me minder gevaarlijk dan ik eerst dacht, dus zei ik: “we zijn hier op de vismarkt, en erg geestig ben je ook niet”.

“Ik geloof van wel”, zei hij, “denk er nog eens rustig over na. Ik heet trouwens Tony. Als je vanavond naar het basketballen wilt kan je kaarten bij me kopen.”

Als Amerikanen mijn voornaam uitspreken moet ik steeds weer aan een vliegende non denken, daarom zei ik: “ik ben Greenberg”.

“Greenberg hè”, zei Tony. “Het wemelt hier in New York van de Greenbergs, wat voor eentje ben jij er?”

“Ik ben The Greenberg”, zei ik.

Dat kon hij wel waarderen, want hij zei: “ik ben The Tony. Dat is mijn vriendin Sonja. Behalve kaartjes voor het basketballen heb ik ook nog Franse parfum.”

“Nee vandaag niet.”

Hij schudde zijn hoofd. “Dat is een baseballjack wat je daar aan hebt, maar de baseballspelers staken. Jij bent niet echt een New Yorker.”

“Niet echt.”

“Toerist?”

“Toerist.”

Hij bracht zijn mond dicht bij mijn oor. “Op zoek naar geld of op zoek naar geluk?”

Opeens deed hij me denken aan een van die Arabieren in de oude stad in Jeruzalem die twintig meter achter je aanlopen om je een of ander vliegend tapijt aan te smeren.

“Allebei”, zei ik. “Maar vandaag niet.”

Ik stond op. De haren van The Tony glommen van het vet. Zijn broek was te kort, zodat zijn witte sokken zichtbaar waren. Ik begreep niet meer waarom ik voor hem was weggelopen. “Wil je kennismaken met mijn vriendin?”

“Die praat te veel. Dat heb je zelf gezegd.”

Het bovenste knoopje van zijn overhemd was opengegaan en nu pas zag ik dat er op zijn behaarde borst een groot kruis bungelde.

“Kom morgen terug”, zei The Tony. “Ik denk dat ik weet wat je zoekt.”

Ik liep naar buiten. In de metro naar Andrews hoorde ik plotseling geblaf. Ik heb nog nooit een hond in de metro gezien. Maar het was ook geen hond. Er was een neger aan het blaffen. Hij haalde geld op en blafte.

In Andrews vertelde ik de Egyptische over de blaffende neger.

“Dit wordt een nieuwe trend”, zei ik, “blaffende bedelaars. Over een paar jaar wemelt het ervan.”

Ze schudde haar hoofd.

“Hij heeft in vijf minuten anderhalve dollar bij elkaar geblaft.”

“Vriend, mensen moeten niet blaffen”, zei de Egyptische.

“Alles beter dan spreken”, zei de man van het textielcentrum.

“En wat heb je verder gedaan?”

“Ik heb een man ontmoet die Tony heet en die me morgen gaat vertellen waarnaar ik op zoek ben.”

“Jij bent een gelukkig mens”, zei ze en lachte alsof het een goeie grap was.

Toen ik de volgende dag door de zevende Avenue liep, op weg naar Andrews, zag ik The Tony voor een etalage staan. Hij was samen met de vrouw die hij Sonja had genoemd. Ik hield onmiddellijk een taxi aan. Pas na vijf minuten bedacht ik me dat hij het waarschijnlijk helemaal niet geweest was, en dat mijn reactie hoe dan ook tamelijk overspannen was.

De Egyptische noemt veel mannen 'vriend' heb ik gemerkt, maar het is niet erg een van de velen te zijn. “Ga maar terug naar de plek waar je me hebt opgepikt”, zei ik tegen de chauffeur. Hij gromde, maar hij deed het toch.