Bidden op een gordiaanse knoop; In Jeruzalem luistert men niet meer naar schrijvers

Jeruzalem is gebouwd op het fundament van drie boeken: de Torah, de Koran en het Nieuwe Testament. Daardoor wordt de stad beheerst door de strijd tussen de drie godsdiensten. De rol van de Israelische schrijvers, die vroeger golden als morele autoriteiten, is tanende.

“Niemand op straat zal tegen je zeggen: 'Heb je het laatste opiniestuk van Amos Oz al gelezen?”

Anna Mitgutsch: Jeruzalem. Vert. Tinke Davids. Uitg. Van Gennep, 228 blz. Prijs ƒ39,90

Yoram Kaniuk: Adam hondezoon. Vert. Kees Meiling, Uitg. Meulenhoff, 438 blz. Prijs: ƒ49,90

De Koran. Vert. J.H. Kramers. Uitg. Agon, 634 blz.

Bijbel. Uitg. Ned. Bijbelgenootschap, 1951, 1528 blz.

Tijdens het interview blijkt dat de Israelische schrijver Yoram Kaniuk, in 1930 in Tel Aviv geboren, een uitgesproken hekel aan Jeruzalem heeft. “Ik hou niet van Jeruzalem, het heeft me veel te veel geschiedenis. Al het religieuze extremisme is er geconcentreerd, zowel joods, christelijk als islamitisch. Het is een fundamentalistische stad, niet mijn stad.”

Wie, komend van het vliegveld Ben Gurion, uitstapt op het centrale busstation in West-Jeruzalem kijkt direct Yasser Arafat in de ogen, die met een vervaarlijk pistool alle passagiers onder schot houdt. Naast hem hebben de tegenstanders van het vredesproces op de muren van het busstation overal posters van premier Rabin geplakt, zijn hoofd getooid met een Palestijnensjaal.

Inmiddels hebben de woorden Palestijns zelfmoordcommando en busstation zich zo vast in het achterhoofd genesteld dat ik mij een week lang te voet door de stad zal begeven. Twee aanslagen op busstations met tientallen doden in het afgelopen jaar bezorgen ieder busstation de dreiging van de laatste halte.

Later lees ik in de onlangs vertaalde roman Jeruzalem van de joodse, in Oostenrijk woonachtige schrijfster Anna Mitgutsch (1948): “Op mijn busritten door de stad bestudeerde ik gewicht en grootte van stenen aan de hand van de splintersterren in de ruiten, één keer ontdekte ik vlak naast me een gat waar een kogel was doorgedrongen, het verbrijzelde glas benam me het uitzicht. Destijds las ik geen kranten en geloofde ik de domme gidsen die bang waren voor minder verdienste en zwoeren dat je overal heen kon in deze open stad, er zouden geen grenzen zijn, ook geen onzichtbare en niemand zou een onschuldige toerist kwaad doen.” Dit is geen stad om mee te spotten, zoveel is zeker.

De stad is immers gebouwd op het fundament van drie Boeken, die weinig spot kunnen verdragen: de Torah, de Koran en het Nieuwe Testament. Het lijkt wel Goddelijke Voorzienigheid dat de reiziger die Jeruzalem binnenkomt direct over de hoofdader van West-Jeruzalem, de bruisende Jaffastraat in een bijna rechte lijn naar de Oude Stad geleid wordt, waar op een luttel aantal vierkante kilometers de voornaamste heiligdommen van drie wereldgodsdiensten zich naast, op of onder elkaar bevinden. Alsof Hij meteen, zonder omwegen, in medias res wil treden.

In de christelijke wijk op de Via Dolorosa heeft de God van de christenen het goedgevonden dat de lijdensweg van zijn Zoon die er zich over 14 staties uitstrekt een grote souvenirwinkel is geworden: Jezus houtgesneden, op vlaggetjes, als sleutelhanger, op kommetjes, kopjes of een levensecht ruwhouten kruis van twee meter hoog, franco thuis te bezorgen. Ieder religieus gevoel wordt genadeloos doodgedrukt onder bergen van kitsch. Busladingen toeristen uit Europa en Amerika, met veel weduwen op leeftijd, verstoppen de heilige route op zoek naar plaatjes bij het Boek. Een Duitse dominee probeert zich in het gedrang rond de derde statie, waar Jezus voor het eerst onder het kruis bezweek, verstaanbaar te maken met het voorlezen van de bijpassende tekst. Zijn kudde van ongeveer dertig gelovigen draagt hetzelfde fel oranje petje met de tekst Biblische Reisen zodat een verdoolde in de massa nog opgespoord en teruggeleid kan worden. Behoedzaam leiden de gidsen hen langs de tientallen heilige plaatsen, als liepen zij door het Jeruzalem van 33 na Christus, maar dan verlucht met de zegeningen van de twintigste eeuwse souvenirindustrie. In hun heilige onschuld lijken ze niets te merken van de spanning die op deze plek heerst, kleiner dan de binnenstad van Amsterdam, waar drie wereldgodsdiensten als geologische continenten op elkaar botsen.

Aardbevingen

Anna Mitgutsch' roman Jeruzalem is een dramatische liefdesgeschiedenis van een joodse vrouw met een arabier, die zich aan het einde als terrorist ontpopt. Mitgutsch schrijft: “De eerste vraag waarmee elk gesprek in deze stad begint. Zonder antwoord op die vraag is er geen sprake van vertrouwen of van een gesprek, men zou zijn eigen positie niet kennen. Inwoners hoeven elkaar die vraag niet te stellen, die herkennen elkaar met één blik. Vertel me eerst of je een moslim, een jood of een christen bent, dan kunnen we verder praten. Er zijn ook omschrijvingen: Waar kom je vandaan, waar woon je, ben je op familiebezoek in Israel?”

De toeristen lijken slechts met de gids, de dominee en met elkaar te praten en kunnen bovendien de graffiti niet lezen die ergens in de Arabische wijk op een neergelaten rolluik staat, maar wel ontdekt werd door Anna Mitgutsch: “'Wij neuken jullie wijven', staat daar bij wijze van ongeëvenaarde vernedering van de vijand, maar van de mensen voor wie de graffiti bedoeld waren, gaat niemand meer daarheen, tenzij met een geweer in de hand.”

De God van de joden blijkt wars te zijn van toeristische prullaria. Het enige dat op het grote plein voor de Klaagmuur verkrijgbaar is bestaat uit een gratis papieren keppeltje dat gedragen dient te worden bij het naderen van de muur, de laatste die overgebleven is van de Tweede Tempel, gebouwd in 515 voor Christus en verwoest door de Romeinen in 70 na Christus, het begin van de joodse diaspora. Hier, bij het grootste heiligdom van de joden, bevindt zich het episch centrum van religieuze en politieke aardbevingen in het Midden-Oosten. Want God heeft hier in Zijn ondoorgrondelijkheid of in een opwelling van pikzwarte humor het heiligste van de joden direct laten grenzen aan de, op Mekka na, heiligste plaats van de islamieten: de Rotskoepel waar Mohammed met een ladder ten hemel is gestegen. Dit mooiste gebouw van de hele stad beheerst met zijn goudkleurige koepel al 1300 jaar het silhouet van Jeruzalem.

Aan de oostkant van het plein bevindt zich de Gouden Poort waar Jezus op Palmzondag Jeruzalem binnenreed en waar hij bij Zijn definitieve terugkeer weer de stad zal binnenkomen. Daarom liet sultan Saladin in 1187 de Gouden Poort dichtmetselen en werd er voor alle zekerheid een islamitische begraafplaats aangelegd, omdat de joodse rituele regels het de Messias verbieden om via een dodenakker de stad te betreden. Maar dat is nog niet alles. Behalve dat op het islamitische tempelcomplex zich ook de verwoeste Eerste en Tweede Tempel van de joden hebben bevonden, schuilt er onder de bodem van de Rotskoepel een gordiaanse knoop, die geen enkel vredesproces lijkt te kunnen ontwarren: daar is de plek waar Abraham op bevel van God bereid was zijn zoon Izaak te offeren. Het is de joden niet toegestaan om hier te bidden en wie dat wel doet, zoals twee weken geleden nog het lid van de Knesset Shaul Gutman, die wordt door de politie met harde hand verwijderd. “Ik deed het alleen maar om het absurde van de situatie te laten zien”, zo verklaarde Gutman zijn daad.

Chiwieten

In het Islamitische Museum staat bij de ingang een grote vitrine met de portretten van een tiental mannen, vrouwen en kinderen die bij een aanslag op het Tempelcomplex in 1990 om het leven kwamen. In het midden een gebalde vuist en de tekst 'The Islamic Struggle will Go on'. Om het vuur van de emoties nog wat meer op te stoken zijn in een glazen kast naast de portretten de bebloede kleren van de slachtoffers tentoongesteld. De vijandschap tegen de joden lijkt bijna een religieus gebod voor de moslims. Op vele plaatsen in de Koran worden de joden met hel en verdoemenis bedreigd. Hoofdstuk 5 vers 78 luidt: 'Vervloekt zijn zij die ongelovig waren/ van de zonen Isra'ils/ door de tong van Dawud (David)/ en van 'Isa, de zoon van Maryam. (...) Kwaad is voorwaar/ wat hun zielen tevoren deden/ zodat God tegen hen toornde./En in de bestraffing zullen zij zijn/ eeuwig-levend.' Vers 3 en 4 van hoofdstuk 59: 'Maar voor hen is in het latere leven/ de bestraffing van het Vuur. /Dat omdat zij zich afsplitsten van God/ en Zijn boodschapper./ En zo iemand zich afsplitst van God/ dan is God hevig in kastijding.' Kastijding of niet, een orthodoxe jood vindt houvast in Deuteronomium 7: 1-2 om net zolang te ijveren tot het Tempelcomplex ook in joodse handen is: 'Wanneer de Here, uw God, u in het land gebracht zal hebben, dat gij in bezit gaat nemen, en Hij voor u uit vele volken verdreven zal hebben, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwieten en de Jebusieten, zeven volken, talrijker en machtiger dan gij, en de Here, uw God, hen aan u overgeleverd zal hebben, zodat gij hen verslaat, dan zult gij hen volkomen in de ban slaan; gij zult met hen geen verbond sluiten en hun geen genade verlenen.'

“Bij ons joden,” aldus Yoram Kaniuk van wie eerdaags de roman Adam hondezoon in het Nederlands zal verschijnen, “is het woord onze kracht. Wij hebben geen Egyptische piramides, geen Griekse tempels, geen islamitische moskeeën. De orthodoxen graven hier het hele land af naar joodse sporen en vinden niets, helemaal niets.” Maar ze geven niet op en zijn nu gevorderd met hun opgravingen tot aan de muren van het islamitische tempelcomplex. Eind maart protesteerde de Hogere Islamitische Raad luid bij de Verenigde Naties omdat een trap van een islamitische school in de Arabische wijk het zou hebben begeven als gevolg van de opgravingen, aldus de Raad.

Over een vriendin van de joodse vrouw in Jeruzalem schrijft Anna Mitgutsch: “Zij heeft de stad lief, ze is hier opgegroeid, maar ze jammert voortdurend dat de toestand daar onverdraaglijk en hopeloos is. Natuurlijk moet je blijven en hier komen wonen, nergens anders vind je zoveel schoonheid en spiritualiteit, maar het zal je te gronde richten, uiteindelijk word je een wrak, een zenuwpees, rijp voor het gekkenhuis.” In de opiniestukken en de ingezonden brieven in de Jerusalem Post duiken keer op keer de namen van Chamberlain, Hitler en het akkoord van München in 1938 op. In een stuk getiteld 'De centrale strijd om Jeruzalem' bewijst een columnist met een uitvoerig citaat uit de Talmoed dat de grenzen van het joodse Groot-Jeruzalem zich uitstrekken tot vier dagreizen vanuit het centrum naar het oosten, westen, noorden en zuiden. De steun voor het vredesproces tussen de PLO en de Israelische regering brokkelt zienderogen af. In de zestien maanden sinds de erkenning van de PLO is het aantal joodse slachtoffers van Palestijnse terreur, 125, 85 procent hoger dan in de zestien maanden voor het akkoord. In de meest recente enquête vindt een meerderheid van de Israeliërs dat de regering in de onderhandelingen met de PLO te veel concessies doet.

Rotgrot

De positie van de Israelische schrijvers, die vroeger als een morele autoriteit golden en veelal voor onderhandelingen met de Palestijnen zijn, is tanende. Hierover zegt de schrijver Meir Shalev in een gesprek: “De schrijvers vormen niet meer het geweten van de natie. Iedereen heeft hier nu een eigen geweten dat precies voorschrijft hoe het verder moet met dit land. Dat is een deel van het probleem. Niemand op straat zal tegen je zeggen: 'Heb je het laatste opiniestuk van Amos Oz al gelezen?' Anderzijds ben ik daar niet rouwig om. Als schrijvers hebben we immers geen betere mening omdat we de dingen misschien beter opschrijven dan anderen. We zijn niet meer of mindere vaklui dan dan een meubelmaker die een stoel maakt of een metselaar die een huis bouwt.”

De joodse kolonisten in Hebron die op maandag 20 maart twee slachtoffers van een Palestijnse terreuraanslag begraven tonen hun bijbelvastheid als ze massaal Psalm 94 aanheffen: 'God der wrake, Here, God der wrake, verschijn in lichtglans. Verhef U, richter der aarde, breng vergelding over de hovaardigen. Hoelang nog zullen de goddelozen, o Here, hoelang nog zullen de goddelozen juichen. Zij smalen, spreken verwaten taal, al die bedrijvers van ongerechtigheid voeren een hoog woord.' Vervolgens worden de lichamen als groet kort naast het graf van Baruch Goldstein geplaatst, die vorig jaar in de moskee bij de grot van de Patriarchen eerst 29 Palestijnen en vervolgens zichzelf doodde. Een kolonist komt naar voren en zegt: 'We vragen je om vergeving, Baruch, dat we je niet op je weg gevolgd zijn.'

De joodse humor die er door dit soort gebeurtenissen ontstaat is eerder droog en hard dan subtiel en melancholisch, zoals de joodse humor uit Europa. Zo drukt de Jerusalem Post naar aanleiding van het carnavaleske Poerimfeest het volgende verhaaltje af: “Abraham, Izaak en Jakob komen samen met hun familieleden bij het ministerie voor Religieuze Zaken en eisen een graf op een rustiger plaats dan de grot der Patriarchen in Hebron. Abraham: 'Ik heb spijt als haren op mijn hoofd dat ik ooit die rotgrot gekocht heb. Die sluwe Aramees Ephron heeft me er in geluisd. Ik wist niet dat het op de West Bank lag! Ik ben een nomade, geen settler. Lea, de vrouw van Jakob, klaagde op een dag vorig jaar uit haar eeuwige rust gewekt te zijn, doordat er plotseling bloed op haar lijkwade druppelde: 'Het was zo griezelig! Ik had weken de bibbers.” Het ministerie beloofde naar een rustiger plaats te zullen omzien, maar waarschuwde de Patriarchen dat de regering aan niemand die de West Bank verlaten wil compensatie betaalt - ook niet aan de doden.”

Yoram Kaniuk zegt in een sombere bui: “Soms denk ik wel eens dat Israel zal ophouden te bestaan. Simpelweg omdat de Arabieren ons hier niet willen. Wat kunnen we op den duur uitrichten met vijf miljoen, omgeven door honderden miljoenen Arabieren? Weet U wat het hier is? Een psychiatrische inrichting. Ik wandelde eens met een Arabische vriend langs de zee in Tel Aviv. Schertsend vertelde hij over de oude Arabische kreet dat ze ons in de zee zouden drijven. Kan zijn, zei ik, maar bedenk wel: in Auschwitz hebben we leren zwemmen.”