Bevroren paleizen; De eerste foto's van Egypte

Vlak na de uitvinding van de fotografie trokken Europese fotografen naar Egypte om de overblijfselen van de faraonische cultuur zo realistisch mogelijk vast te leggen. Op hun foto's, die nu in het Allard Pierson Museum te zien zijn, is het merkwaardig stil en leeg. “Wee degene die durfde te bewegen, die zou getroffen worden door kogels uit de camera, werd aan de bevolking verteld.”

Palmen en Tempels. Fotografie in Egypte in de negentiende eeuw. Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 127, Amsterdam. T/m 28 mei. Di t/m vr 10-17u, za en zo 13-17u. Gesloten op 1ste Paasdag, 30 april en 5 mei; 2e paasdag, 4 mei en hemelvaartsdag geopend 13-17u. Catalogus 297 blz. Prijs ƒ67,-.

Bezwijk niet voor het pittoreske, hadden ze tegen de fotografen gezegd. Vermijd die lupinevelden, al liggen ze nog zo mooi paars te wezen tegen de hellingen van de Nijl. Vermijd ook de kooplui die op de bazaars voetekrabbers en pijpekoppen jengelend aan de man brengen. En laat je niet verleiden door 'etnische curiositeiten' als zwarte slavinnen aan de was of kamelendrijvers rustend bij een oase. Nee, de eerste westerse fotografen die halverwege de vorige eeuw naar Egypte trokken, kregen de raad de grafmonumenten te fotograferen, de tempels en de paleizen die de farao's langs de Nijl en in de woestijn hadden laten bouwen en die in de loop van duizenden jaren tot ruïnes waren vervallen. De opdracht aan Itier, Beato, Bonfils en Zangaki was documentair: zij moesten de overblijfselen van de oude Egyptische cultuur zo natuurgetrouw mogelijk op glasnegatief vastleggen.

De euforie onder wetenschappers was groot toen Louis Daguerre in 1839 zijn eerste 'daguerreotypie' maakte. Eindelijk zouden de vergissingen van schrijvers en graveurs die in het kielzog van Napoleons expeditie naar Egypte (1798-1801) het Nijlland hadden beschreven, worden rechtgezet. Egypte, 'de kraamkamer van de Westerse beschaving', verdiende beter. Twee of drie camera's van Daguerre, zo schatte de Egyptoloog François Arago tegenover de Franse Academie van Wetenschappen, zouden het werk van legioenen tekenaars over kunnen nemen en 'de miljoenen hiërogliefen kopiëren die (-) de grote monumenten van Thebe, Memphis en Karnak bedekken.' Arago voorspelde dat de foto's - hij noemde ze fotografische tekeningen - in precisie het werk van de beste schilders zouden overtreffen. Fotografie was de perfecte stand-in van de werkelijkheid. Eindelijk zouden Westerse burgers kunnen zien hoe de faraonische cultuur er uitzag, zonder dat ze daar moeizame reizen voor hoefden te ondernemen. Geen detail - of het nu een gruwelijke offerscène, een op instorten staande zuil of een tegen granietrotsen aanklittende tempel was - zou de mensen thuis bespaard blijven. Wat men nu te zien kreeg, was geen illusie, geen verbeelding, maar 'echter dan het leven zelf', schreef een krant in 1840.

De tientallen negentiende-eeuwse foto's van Egypte die nu uit verschillende Belgische en Nederlandse (privé-)verzamelingen bijeen zijn gebracht in het Allard Pierson Museum, zijn werkelijk prachtig. Wandelend van het begin van de tentoonstelling tot het einde, ga ik op reis van noord naar zuid: van Alexandrië, dat met zijn aan Montparnasse herinnerende molens het vertrekpunt vormde van iedere tocht door Egypte, tot aan het donkere binnenland van Nubië, ver voorbij de tweede stroomversnelling van de Nijl. De reis gaat per boot over de rivier, langs de piramides van Gizeh, het Dal der Koningen - met ontklede mummies - bij Thebe, de kolossen van Memnon, Luxor, Aswan en het tempeleilandje Philae. Sommige tempels zijn op het moment dat de fotograaf zijn camera installeerde, nog maar net vanuit het puin uitgegraven, zoals die in Edfoe. Ze zijn ontwaakt uit een duizendjarige slaap, zouden de Westerse geleerden zeggen. Andere zijn nog verstopt in het landschap, zoals de tempel van Hatsepsoet.

Mistig dekje

Het is stil op deze vroege opnames, ijselijk stil. Komt het door het zacht-gele patina dat honderd jaar ouderdom over de foto's heeft gelegd, of door de minutenlange sluitertijd die in de negentiende eeuw nog nodig was voor belichting? Zelfs het traag stromende water van de Nijl krijgt daardoor een mistig, geluiddempend dekje, alsof de lucht vlak boven het water trilt in de zon. Mensen en dieren spelen duidelijk niet de hoofdrol op deze foto's. In het Allard Pierson hangt weliswaar een staatsieportret van een Nubische lijfwacht, en een aantal waterdragers poseert wat achterdochtig in de Nijl. Maar zelden duikt er een Egyptenaar of een Westerse toerist op. Is iedereen gevlucht voor de zon, die zulke bikkelharde schaduwen in het zand snijdt, of waren de toeristische sites gewoon ontvolkt?

Nee, want er hangen ook foto's van drukke handelssteden als Caïro en Aswan. En ook daar die merkwaardige stilte.

Ik loop terug de zalen in, stroomafwaarts met de Nijl mee richting Middellandse Zee. Voor een algemeen zicht op de monumenten van Gebel es-Silsila (de 'Berg van de Ketting') - door Emile Béchard en André Palmieri in 1887 gemaakt - blijf ik staan. Dit lijkt geen foto maar een collage. Tegen de achtergrond van een rotswand rijzen twee zuilen op die een architraaf ondersteunen. Op rotsblokken naast de tempel hebben een paar Egyptenaren plaatsgenomen, ze zijn piepklein in verhouding tot hun omgeving. Het silhouet van de hele voorstelling is haarscherp, alsof mensen, tempel en stenen uit een album zijn geknipt en aan elkaar geplakt. Even verderop, bij een albuminedruk van de zuilenzaal van de tempel bij Esna, weer die indruk van afgeknipte vormen, alsof de zuilen stuk voor stuk bij elkaar zijn geplaatst. En ook een opname van de colonnade van de tempel bij Luxor heeft dat effect. Het perspectief is zoek, het plaatje dun. Net als bordkartonnen decorstukken uit een surrealistische film, lijken deze tempel- en grafruïnes geen achterkant, geen vervolg te hebben. Ik zie restanten van paleizen, bevroren in de tijd. Ik zie poorten, maar het lijkt er niet op dat ze zalen afsluiten, en gangen die nergens naartoe leiden. Esthetisch, maar vervreemdend. Het is de paradox die al het werk van de Westerse fotografen in Egypte kleurt. Men trok erop uit met het gelukzalige idee een natuurgetrouwe kopie van de werkelijkheid te kunnen maken. Maar om die werkelijkheid weer te geven moest er gearrangeerd worden. Rumoer werd onderdrukt, ruis weggepoetst. Bewoners werden uit het zicht gedirigeerd of in stramme poses opgesteld. En wee degene die durfde te bewegen, die zou getroffen worden door kogels uit de camera, werd aan de bevolking verteld. Zo werd manipulatie de grondslag van het 'realistische' fotowerk.

Voor wat oproer zorgen de literaire reisverslagen van Egypte-vaarders uit die tijd. Zij brengen diepte waar de foto's plat zijn. Op de tentoonstelling zijn korte passages te lezen uit het boek van de Belgische stadsschilder Jean-Baptiste van Moer, die in 1881 een reis naar Egypte maakte. Maar Van Moers zijn aantekeningen vooral feitelijk, met een voorliefde voor aankomst- en vertrektijden. Onderhoudender, leerzamer en grappiger is het verslag dat Marcellus Emants maakte, toen hij eind 1880, begin 1881 de Nijl opvoer. Esneh wordt aangedaan ('even weinig fris als elke andere Egyptische stad'), Aswan, waar ebbehouten knotsen, vergiftigde pijlen en struisvogelveren te koop zijn en waar Emants zijn vrije dag 'natuurlijk in puinhopen doorbrengt', en het 'gouden land' Nubië. De schrijver kankert op het stof dat z'n oren, ogen en neusgaten verstopt, maakt woeste ezelritten naar tempelruïnes en beschrijft hilarisch de spraakverwarringen met de lokale bevolking. Daartussendoor weeft hij beschouwingen over de Egyptische geschiedenis, de teloorgang van de faraonische cultuur, en de knechting nu van Egypte door het Westen. Emants verschaft de context bij de plaatjes. Door zijn toedoen komen ze tot leven.