57 jazzmusici broederlijk bijeen

Jazz Magazine. Adres: zie boven. Losse nummers Ffr. 30, in Nederland ƒ20,- (Athenaeum Nieuwscentrum, Amsterdam).

'Maak ik een cd met klezmer-muziek dan wordt die in de bak 'jazz' gezet. Zoiets zal andere klezmers niet overkomen; maken die eens een 'bluegrass'-plaat dan komt die gewoon in de juiste bak te staan. Een zwarte musicus 'kan' blijkbaar maar één soort muziek maken. Dat is het gezicht van het racisme in het Amerika van vandaag. Ze zullen me niet lynchen, maar ze willen me wel voorschrijven welk beroep ik mag uitoefenen en hoeveel geld ik mag verdienen.' Deze en andere prikkelende uitspraken werden opgetekend uit de mond van de zwarte Amerikaanse klarinettist Don Byron die, getooid met dreadlocks plus petje, op het omslag van het Franse maandblad Jazz Magazine staat. Het interview wordt gevolgd door een beschouwing over zijn muziek waarin heel wat 'namen' vallen, van Rodney King en Ross Perot tot Shakespeare en Diderot. Jazz Magazine, dat onlangs aan zijn veertigste jaargang begon, opteert voor een serieuze aanpak en moet dat bekopen met een sober uiterlijk. 'Chique' adverteerders ontbreken, pagina's in kleur zijn schaars, het zwart-wit is aan de grijze kant. Naast Byron komen in dit nummer, gewijd aan 'Quatre nouveaux souffles Noirs' drie andere aanstormende talenten aan het woord: altsaxofonist Steve Coleman, inmiddels kaalhoofdig, net als zijn rapper Kokayi, tenorist David S. Ware in Afro-jurk met bijpassende muts, en multi-rietblazer James Carter die een van zonnekoning Sun Ra geleende space-mijter op zijn hoofd heeft. Carter, morgen met zijn kwartet te horen op het SJU-festival in het Utrechtse Vredenburg, blijkt net als Don Byron niets te moeten hebben van de kunstmatige scheidslijnen waar 'de pers' volgens hem zo gek op is. Of hij nu speelt met de avant-gardistische trompettist Lester Bowie of met diens meer behoudende collega Wynton Marsalis, het gaat om de eigen interpretatie.

Verder in dit nummer de gebruikelijke rubrieken: concertverslagen, cd-recensies, nieuwtjes en columns. De column van Ira Gitler is gewijd aan een historische foto van 57 min of meer beroemde jazzmusici voor een huis in Harlem, die in 1958 werd gemaakt en in 1959 verscheen in Esquire. Art Blakey, Coleman Hawkins, Count Basie, Sonny Rollins, Gerry Mulligan en de rest voor één dag broederlijk bijeen. Er blijken bij die gelegenheid ook 8 mm film-opnamen te zijn gemaakt door Mona Hinton, echtgenote van de gevierde bassist en amateur-fotograaf Milt Hinton. Jean Bach verzamelde nog meer beeldmateriaal van die dag, en maakte er een video van onder de titel Un Grand Jour à Harlem. Hoe de lezer er aan komt wordt helaas niet vermeld.

Het veertig-jarig bestaan viert het blad met een 480 pagina's dik boekwerk met overdrukken uit het tijdschrift getiteld Les Années Jazz Magazine plus vier gelijknamige cd's op het label Verve. De eerste 75 inschrijvers (van wie 15 uit het buitenland) krijgen de set gratis. Ook Nederlanders kunnen dus meedingen door te schrijven naar 151, rue Anatole France, 92598 Levallois-Perret Cedex, France.