50 jaar Benelux door een Belgische kijker bezien

Benelux in de kijker. 50 jaar samenwerking.Door A.Postma e.a. (redactie). Uitgeverij Lannoo/Tirion, Tielt. 408 blz. Prijs: ƒ 105,00

De bundel die ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Benelux is uitgegeven behoort tot de categorie dikke boeken. In vijf hoofdstukken worden verschillende aspecten van de Beneluxsamenwerking, van geschiedenis tot toekomst, belicht. Ongeveer 20 auteurs komen aan het woord. In het voorwoord geven de voorzitter van de redactiecommissie en de secretaris-generaal van de Benelux aan dat het boek mede is uitgegeven om het stoffige imago van de Benelux wat op te poetsen.

G. van Roon verhaalt in zijn bijdrage over de geschiedenis van de drie landen vanaf het begin van de negentiende eeuw. Van Roon ziet in die eeuw steeds plannen ontstaan 'in de richting van de latere Benelux'. Wat verdergaande vormen van samenwerking konden in Nederland rekenen op fel-nationalistische protesten. In 1927 ontstond zelfs het 'Nationaal Comité van actie tegen het ontwerp-verdrag met België', met NSB-leider Anton Mussert als secretaris. Dit verdrag behelste een herziening van het Belgisch-Nederlandse akkoord van 1839. Verwerping van het verdrag door de Eerste Kamer leidde in 1927 tot het aftreden van de Nederlandse minister van Buitenlandse zaken, Van Karnebeek.

Th. Grosbois beschrijft de onderhandelingsperiode tijdens de tweede wereldoorlog in Londen waar de Benelux werd geboren. De Belgisch-Luxemburgse samenwerking was in Londen zeer hecht, terwijl Nederland veel minder bij de besprekingen was betrokken. Dit kwam vooral door de aanvankelijk moeizame relatie tussen de Nederlandse minister van Buitenlandse zaken Van Kleffens en zijn Belgische ambtsgenoot Paul Henri Spaak. In 1943 ontstond er een monetaire unie, op 5 september 1944 gevolgd door de douane-unie. Verscheidene protectionistische obstakels bleven echter bestaan.

A. E. Kersten schetst de politieke aspecten van de Benelux-samenwerking. Soms wisten de Benelux-landen naar buiten de indruk te wekken dat er een daadwerkelijke eenheid was ontstaan. In de praktijk kwam er van die eenheid dikwijls weinig terecht. De Nederlandse regering was niet al te enthousiast om het Benelux-verdrag na de oorlog aan het parlement voor te leggen. Uit kringen van industrie en handel was er protest vernomen: men vreesde voor concurrentie van de nauwelijks beschadigde Belgische industrie. Tijdens de besprekingen over de Marshallhulp wist de Benelux wel als eenheid op te treden. Ook in het proces van Europese integratie had de Benelux een rol van betekenis ondanks de dikwijls erg zelfstandige optreden van Nederland. De race die destijds plaats vbond om EGKS-vestigingen binnen te halen, doet denken aan de soap-opera van Lubbers en Dehaene in hun strijd om het voorzitterschap van de Europese Commissie. Kersten noemt het een geringe troost dat uiteindelijk voor een Luxemburger werd gekozen.

Evenals wil Kersten bestrijdt A. J. Boekestijn de gedachte dat de Benelux achterhaald is. Hij geeft in een overzichtsartikel de stand van het onderzoek weer. Boekestijn stelt dat een supra-nationale Benelux niet veel betere resultaten zou hebben bereikt dan de huidige intergouvernementele organisatie. Wij zullen het nooit weten. De kritiek dat de Benelux nog erg onvolkomen is, pareert dezer auteur met de suggestie dat er daardoor juist nog veel mogelijk is, hetgeen van optimisme getuigt.

Th. Mommens bespreekt in een van de thematische artikelen het landbouwprobleem binnen de Benelux. De theoretische scheiding tussen Nederland als landbouwland en België als industrieland bleek in de praktijk niet te kloppen. België produceerde vrijwel voldoende voor de binnenlandse markt en was nauwelijks gericht op de export van landbouwprodukten. De Nederlandse landbouw daarentegen was gericht op de export. Het Belgische loonpeil was, na de oorlog en in de jaren vijftig, veel hoger dan het Nederlandse. België wilde niet dat de markt overspoeld zou worden door goedkope Nederlandse landbouwprodukten. Nederland, dat veel geld nodig had voor de wederopbouw, spaarde immers uit eigen mond om alles wat maar te exporteren viel in deviezen om te zetten. Met grote regelmaat was overleg tussen de drie landen noodzakelijk. In 1953 werd er zelfs een 'catastrofeprotocol' ondertekend. Mommens concludeert dat de landbouw een van de grootste problemen binnen de Benelux was.

J. Busschaert en N. von Kunitzki behandelen de ervaringen met de monetaire unie die al in 1943 tot stand kwam. Deze vorm van samenwerking maakte, aldus de auteurs, de weg vrij voor een verdergaande vorm van economische integratie. Een van de verworvenheden is de verregaande vorm van beleidscoördinatie. De economieën van Luxemburg en Nederland werden door nationaal beleid steeds meer versterkt. De Belgische economie daarentegen werd steeds zwakker omdat de Belgische regering eerst niet wilde en later niet meer kon aanpassen. Coördinatie van beleid werd hierdoor erg lastig maar werd toch steeds volgehouden. Tussen België en Luxemburg verliep de vaste-koerscoördinatie overigens wel uitstekend. De auteurs pleiten voor nog meer samenwerking en zij verwachten dat de Benelux dan even veel gewicht in de Europese en wereldschaal kan leggen als bijvoorbeeld Frankrijk.

E. Claessens geeft een analyse van de effecten van de Benelux binnen het Europees integratieproces. F. Boekema en H. van Houtum bespreken een onderzoek van de Katholieke Universiteit Brabant naar de grensoverschrijdende samenwerking. Zij beschouwen de grensregio's als testcase voor de werkelijke integratie omdat daar de echte economische confrontatie plaatsvindt. Ph. Golenvaux vindt de ervaringen binnen de Benelux met vrij personen verkeer belangrijk voor 'Schengen'. Ook hier dient de Benelux weer als voorbeeld voor andere initiatieven op dit gebied.

G. Trausch geeft in een biografisch artikel een aardige schets van Joseph Bech, o.a. minister van Buitenlandse Zaken van Luxemburg en lange tijd een eminence grise binnen de Benelux. Interessant is de bijdrage van de huidige secretaris-generaal van de Benelux, B. Hennekam, over de toekomst: hij wil de veel genoemde uitstraling van de samenwerking, het Beneluxeffect, meer gaan gebruiken. Hij voorziet een voordeel van dit effect bij handelsbesprekingen met derde landen. Ook ziet hij mogelijkheden voor meer samenwerking en beleidscoördinatie; in het onderwijs, de criminaliteitsbestrijding en de landbouw. Wellicht is er voor de Benelux een belangrijke rol weggelegd binnen de Europese Unie. De kleine landen krijgen misschien minder macht en dat geeft de Benelux een nieuwe kans: het ontwikkelen van een eigen visie en trachten die als samenwerkingsverband aan de man te brengen, vindt Hennekam. Wijziging van het Benelux-verdrag vindt hij minder belangrijk dan het ontwikkelen van nieuwe ideeën en het onderzoeken van nieuwe mogelijkheden voor de Benelux.

Tenslotte hebben J. Busschaert en Th. Grosbois een gesprek over de toekomst van de Benelux met P. Werner, oud-minister-president van Luxemburg en met diens Belgische collega Leo Tindemans. Een gesprek met een Nederlands (ex-)bewindspersoon ontbreekt helaas.

Het boek geeft een baaierd aan artikelen over het verleden, heden en de toekomst van de Belgisch-Nederlands-Luxemburgse samenwerking. Er is een forse hoeveelheid informatie verzameld door de redactie en dat is op zichzelf een verdienste, maar het is jammer dat de artikelen hier en daar overlappen. Ook valt de grote diversiteit op die soms wat lappendeken-achtig aandoet.

Opvallend is dat de Belgische houding ten opzichte van de Benelux voor een belangrijk deel op basis van Nederlandse bronnen wordt geschreven. In België is er blijkbaar geen archief of wordt geen inzage in die documentatie toegestaan. Jammer genoeg wordt maar een enkele Nederlandse ooggetuige in interviewvorm of door middel van een biografische schets ten tonele gevoerd. Dit geeft het boek een Belgisch-Luxemburgs sausje, terwijl men in de Benelux toch gewend moet zijn om 'ieder het zijne' te gunnen.