Volkenkundige musea weren illegale kunst

AMSTERDAM, 6 APRIL. De Volkenkundige musea in Nederland hebben de handen ineen geslagen om de illegale handel in kunstvoorwerpen uit ontwikkelingslanden tegen te gaan. Voorwerpen waarvan onduidelijk is of ze op legale manier zijn verkregen zullen niet worden gekocht, tentoongesteld of als bruikleen of schenking worden aanvaard.

Dat zei gisteren de directeur van het Tropenmuseum H.J. Gortzak bij de presentatie van het boek Illicit traffic in cultural property; Museums against pillage. Het boek is samengesteld door Harrie Leyten, conservator Afrika van het Tropenmuseum, en bevat bijdragen van Afrikaanse en Europese deskundigen, onder wie minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking. De artikelen gaan vooral over plunderingen en illegale export uit Afrika en de mogelijke juridische maatregelen ertegen. Volgens de Nederlandse volkenkundige musea is minder dan een procent van de voorwerpen in hun collecties van dubieuze herkomst.

Armoede en kunstroof gaan hand in hand, zei Gortzak. Vooral de Afrikaanse ontwikkelingslanden dreigen hun culturele erfgoed te verliezen. Jaarlijks verdwijnen er honderdduizenden kunstwerken en voorwerpen van historisch, religieus of sociaal belang. Ze worden tegen lage prijzen opgekocht, illegaal uitgevoerd en aan verzamelaars en musea in westerse landen verkocht. Illegale opgravingen leiden er ook toe dat historisch onderzoek wordt belemmerd. Voorwerpen worden uit hun context gehaald en zwerven anoniem over de wereld. Leyten noemde als voorbeeld Mali waar 843 officiële archeologische vindplaatsen geregistreerd staan. Twintig procent daarvan is door plunderaars verstoord, op sommige plekken is 70 tot 80 procent verdwenen. “Als het daar nog tien jaar zo doorgaat zal het niet meer mogelijk zijn de geschiedenis van dat land te reconstrueren”, aldus Leyten.

Veel Afrikaanse staten ontbreekt het aan kennis en middelen om hun cultuurgoed te beschermen, een goede registratie is er nog niet. “Wij zijn kwetsbaar”, erkende ambassadeur A. Abankwa van Ghana. “Onze bevolking is arm en beseft nog niet dat het cultureel erfgoed bewaard moet worden”. Abankwa toonde een aantal etnografische voorwerpen die door oplettendheid van een douaneambtenar in een container in de Rotterdamse haven waren onderschept, waaronder een zetel die wordt gebruikt bij de verering van overleden dorpsoudsten. Volgens de ambassadeur hebben deze zetels in zijn land zo'n belangrijke status dat ze volgens de Ghanese wet onmogelijk legaal het land hadden kunnen verlaten.

De container bevatte 80 tot 90 voorwerpen die illegaal uit Ghana waren uitgevoerd. De Nederlandse douane mocht formeel echter niet optreden, omdat Nederland geen verdrag met Ghana heeft volgens welke de rechter geroofde waar kan terugsturen. De Nederlandse importeur, die zei te goeder trouw te zijn, kon op grond van de Nederlandse wetgeving niet worden aangehouden. Een deel van de voorwerpen is overgebracht naar de ambassade, en gaat binnenkort naar musea in Ghana.

De strijd tegen deze volgens Leyten 'culturele genocide', stuit op vele juridische problemen. Er zijn inmiddels wel door bonafide handelaren afspraken gemaakt geen voorwerpen van onduidelijke afkomst te accepteren. Maar de hoop is nu gevestigd op de zogenoemde Unidroit-conventie, waarover in juni in Rome een diplomatieke topconferentie wordt gehouden. Het verdrag geeft de juridische basis aan voor internationale wetgeving en gedragscodes. Volgens de conventie kan degene van wie een voorwerp is gestolen teruggave eisen, zelfs als dat na jaren in een museum of bij een particulier wordt teruggevonden en ook als de betrokken partij te goeder trouw heeft gehandeld. De huidige wet beschermt over het algemeen de bonafide bezitter van een kunstvoorwerp.