Visreservaat in de golven

Een natuurreservaat voor vissen, waar ze ongestoord hun rondjes kunnen zwemmen, temidden van vogels, weekdieren en alle mogelijke andere zeebewoners. Dat is het ideaal van dr. Han Lindeboom van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) op Texel. Hij maakt deel uit van een internationaal onderzoeksteam dat zojuist een rapport heeft uitgebracht in opdracht van de Europese Commissie.

In juni buigt de Noordzee-ministerconferentie zich over een voorstel om enkele stukken Noordzee van minimaal 50 bij 50 kilometer voor alle visserij te sluiten, dit in de eerste plaats voor het wetenschappelijk onderzoek. Lindeboom: 'Als overal intensief gevist wordt kun je de ecologische gevolgen daarvan niet goed meer bestuderen, omdat je de situatie nergens meer mee kunt vergelijken. Misschien zijn zeldzamere en langlevende soorten al ongemerkt uit de Noordzee verdwenen en wordt de huidige fauna gedomineerd door resistentere soorten.'

In de Tweede Wereldoorlog lag de Noordzeevisserij vijf jaar stil en in die tijd gingen soorten als haaien en roggen behoorlijk vooruit. Ook kent men er een zogeheten scholbox, die in bepaalde seizoenen voor de visserij gesloten is. De Canadezen hebben een visreservaat van zo'n 100 bij 100 kilometer, waar niet met sleepnetten, maar alleen met hangende netten mag worden gevist. In enkele jaren heeft de visstand zich daar weer goed ontwikkeld. Voor de Noordzee wordt gedacht aan een gebied ten noordwesten van de Wadden en aan een nog nader te bepalen gebied met stenige bodem, wellicht in de Engelse wateren. Of de ministers in juni spijkers met koppen zullen slaan valt nog te bezien.

Lindeboom: 'De commerciële boomkorvisserij leidt in de Noordzee tot grote sterfte onder de bijvangst. Voor iedere kilo verkoopbare tong is de bijvangst tot tien kilo dode vis plus zes kilo dode ongewervelde dieren. Op den duur zal dat leiden tot een verschuiving in de structuur en samenstelling van het leven op de Noordzeebodem, die overal tenminste eenmaal jaarlijks en op sommige plaatsen wel zevenmaal systematisch wordt 'omgeploegd' door de sleepkettingen uit de boomkorvisserij.'

De sterfte van ondermaatse vis die na de vangst weer overboord wordt gezet, bedraagt 70 tot 100 procent. Onder krabben en schelpdieren is dit 50 procent, onder zeesterren tot 10 procent. De opgewoelde en beschadigde bodemdieren en de over boord gezette bijvangsten lokken aaseters aan. Het aantal stormvogels en meeuwen is de laatste decennia enorm toegenomen. Toch kan de visstand zich wereldwijd nog herstellen. 'Het hangt er van af wat beschadigd is en verdwenen, maar als de bouwstenen van het ecosysteem nog aanwezig zijn is herstel een kwestie van tijd', stelt Lindeboom. 'Het gevaar schuilt in vistechnieken die het leefmilieu verwoesten, zoals de sleepkettingen in de boomkorvisserij. Dan is er geen plaats in het ecosysteem voor schelpdieren die heel oud kunnen worden.'

Is dat erg? Lindeboom vindt van wel. 'Ik denk niet dat het de bedoeling is dat wij soorten in de Noordzee compleet uitroeien en ik denk ook niet dat dat hoeft. Je weet natuurlijk nooit zeker welke plek de verdwenen soort in het ecosysteem innam. Mensen willen graag horen welke economische schade ze oplopen door een bepaalde diersoort uit te roeien en dat kunnen wij niet aangeven. Je kunt zeggen dat het sneu voor zo'n beest is om te worden uitgeroeid, dat is weer zo'n menselijke uitdrukking. Maar het is ook op lange termijn verstandiger om de soortenrijkdom van ecosystemen te handhaven. Het ecosysteem moet flexibel genoeg blijven, bijvoorbeeld om te kunnen reageren op klimaatsveranderingen en veranderingen in de zeestromen. Als je in de Noordzee gebieden inricht waar je niet vist, wordt het hele Noordzee-ecosysteem robuuster en het is beter in staat om klappen op te vangen.'

De ansjovis is een goed voorbeeld van een soort die zich, nadat de Peruaanse ansjovisvisserij omstreeks 1975 door overbevissing geheel was ingestort, goed heeft hersteld. Ook de haring in de Noordzee was vijf jaar na het sluiten van de vangst in 1976 weer redelijk op peil. Net als tong en schol zijn dit soorten die miljoenen eitjes leggen en na een jaar of twee al weer geslachtsrijp zijn. De roggen daarentegen, vroeger algemeen in de Waddenzee, zijn schaars geworden. Voor de meeste roggesoorten duurt het wel zes tot tien jaar voor ze geslachtsrijp zijn en bovendien zijn ze, net als een aantal haaiesoorten, levendbarend en krijgen maar weinig jonkies vergeleken met de miljoenen eitjes van haring of schol.

Ook een soort als de Groenlandse heilbot, die in de noordelijke wateren maar langzaam groeit, zal er zeker tien jaar over doen om weer op peil te komen als hij daar de kans toe krijgt. Trage voortplanters zijn door de bank genomen ook haaien, tonijnen en andere soorten van de open oceaan en diepzeevissen. Daarom zijn ze des te kwetsbaarder voor overbevissing. Hierbij moet worden aangetekend dat herstel van de biomassa van een ecologische groep eerder optreedt dan herstel van het oorspronkelijke, uitgebalanceerde, complexe ecosysteem. Vispopulaties hebben 5 tot 20 jaar nodig om te herstellen, vogelpopulaties 5 tot 50 jaar. Het herstel van een levensgemeenschap met langlevende weekdieren kan tientallen jaren duren, dat van een zeezoogdierpopulatie 20 tot meer dan 50 jaar.

Over de vraag of de visser nu een concurrent van de zeehond is of andersom zijn de meningen verdeeld. Lindeboom: 'Er zal best concurrentie optreden, maar je hoort ook veel indianenverhalen. Over het algemeen wordt de draagkracht van een systeem bepaald door de hoeveelheid aanwezig voedsel, dus er zullen nooit veel meer zeehonden zijn dan zo'n systeem kan dragen. Als de vissers zich ook aan het draagkrachtprincipe houden hoeven mens en zeehond elkaar niet te bijten. Problemen ontstaan als bijvoorbeeld de haringstand in een mager jaar voor het ecosysteem door natuurlijke oorzaak naar beneden gaat terwijl tegelijk de visserij scherp toeneemt. Omgekeerd gaat de zeehondendstand na een paar vette jaren maar heel langzaam omhoog.'

Het zelfde gaat volgens Lindeboom op voor de vermeende sterfte onder zeevogels. 'Het ziet er naar uit dat veranderende zeestromen door natuurlijke oorzaken te maken hebben met het verdwijnen van de jonge vis in het vogelbroedseizoen. Als de visserij dan op dezelfde voet blijft doorgaan, wordt die een concurrent voor de vogels. Beide theorieën bevatten een kern van waarheid. Je kunt teruggrijpen op oude vogeltellingen, maar vergeet niet dat toen ook eieren werden geraapt en gegeten, daarmee werden ook hele vogelpopulaties om zeep geholpen. En toen het eierrapen terugliep kwam de visserij juist op.'

Inmiddels is op het NIOZ subsidie aangevraagd voor een project waarbij men de historische visstand hoopt te reconstrueren aan de hand van in het bodemsediment bewaard gebleven gehoorbeentjes van vissoorten in de Noordzee. In Californië heeft men de lotgevallen van de sardines zo tot 300 jaar voor Christus nauwkeurig weten te reconstrueren, wat antwoord geeft op vele vragen. Dit lijkt ook mogelijk voor diverse soorten Noordzeevis.

Volgens de internationale werkgroep waarvan Lindeboom deel uitmaakt moet er ook onderzoek worden gestimuleerd om de vernietiging van waardevolle jonge ondermaatse vis te verminderen. Het NIOZ experimenteert met methoden om meer jonge tong om de netten heen te leiden.

Lindeboom: 'Alles draait om de vraag welke prijs wij ervoor over hebben de vernietiging van het ecosysteem tegen te gaan. Als de vissers een tientje boete moesten betalen voor elke kilo dooie vis die ze onnodig overboord zetten, zouden ze wel duurzame technieken ontwikkelen. Er zijn alternatieven in ontwikkeling, als er maar voldoende druk op de ketel komt.'