Vervallen schoonheid op de Anti-Atlas; Spaanse Blues in Sidi Ifni

In de voormalige Spaanse enclave Sidi Ifni, aan de kust van Marokko, vindt de reiziger een onnavolg- bare mengeling van Arabische, Spaanse en Art Deco architectuur. Over de romantiek van het verval.

Wie op doorreis van het Marokkaanse Agadir naar de Westelijke Sahara de provincie Tiznit doorkruist kan hem moeilijk missen. Boven op de helling van Sidi Ifni, een stadje op de rand van de groen begroeide uitlopers van de Anti-Atlas, ligt de Boot. Met zijn stenen boeg lijkt het gebouw de eeuwige branding van de Atlantische Oceaan te willen trotseren. De verf is afgebladderd, er ontbreken relingen op de brug en hier en daar is een patrijspoort dichtgemetseld of vervangen door een rechthoekig raam. Maar ondanks het verval bestaat er geen misverstand over de bedoeling van de architecten: hier ligt een klassieke sleepboot van het Nieuwe Bouwen uit de jaren dertig, die als een gril van Dudok of Oud op de rotsen van de Anti-Atlas is gestrand.

De Boot van Sidi Ifni is een opmerkelijke verschijning in een land waar kasbahs, moskeeën en medina's het aangezicht van de stadjes en dorpen bepalen. De Spanjaarden lieten het gebouw in 1969 achter als een erfenis van 35 jaar bezetting van Sidi Ifni. In 1936 werd de Boot gebouwd als het kantoor voor de Spaanse marine-autoriteiten. Een amfibievoertuig bracht hier de mondvoorraad aan land voor de meer dan vijftigduizend soldaten van het Schuttersbataljon en het Vreemdelingenlegioen die gelegerd waren in de forten. Als de branding en de stroming het tenminste toelieten, want de Oceaan is onberekenbaar voor de kust van Ifni.

Sidi Ifni is een van die kleine stadjes die de reiziger in Marokko snel over het hoofd dreigt te zien. Het even noordelijker gelegen Mirleft kent enige faam als oude hippie-kolonie en surf-paradijs. Maar rond Sidi Ifni heerst de stilte van de eindeloze natuur. De tientallen kilometers strand die aan de voet van het stadje beginnen bieden de mogelijkheid tot urenlange wandelingen, waarbij hooguit het tij in de gaten gehouden moet worden. Dit deel van Marokko is nog nog niet gewend aan veel toerisme: de bezoeker wordt er welwillend begroet, maar niet eindeloos lastig gevallen met aanbiedingen van tapijten, kamelenritjes of een rondleiding door de stad.

Afgezien van de rust van een slaperige provinciestad biedt Sidi Ifni een verrassing voor de liefhebbers van romantisch verval. Achter de Boot op de rotsen strekt zich onverwacht een stadje uit dat met zijn architectuur een uniek beeld geeft van de de laatste, bizarre bladzijden van het kolonialisme in Marokko. Een wandeling langs de vervallen boulevard, de resten van de dierentuin en de parkjes van Sidi Ifni, is een wandeling door de vervlogen Spaanse dromen over een enclave aan de Atlantische kust.

In een mengsel van Moorse Art Deco en de Stijl is hier in de jaren dertig een militaire nederzetting uit de grond gestampt met kosmopolitische pretenties. Langs de vroegere Plaza de España - zoals alle belangrijke pleinen in Marokko inmiddels omgedoopt tot Place Hassan II - liggen de gebouwen die ooit het kloppend hart hadden moeten worden van een Spaanse stad. Als in een spookstad uit een Western staat het oude Spaanse consulaat er leeg en vervallen bij. Alleen het wapenschild boven de ingang herinnert aan het glorieuze verleden. Ernaast ligt de oude kerk. Waar ooit katholieke huwelijken werden gesloten, zetelt nu het gerechtsgebouw dat echtscheidingen behandelt. In het oude paleis van de gouverneur met zijn zuurstokroze kolommen, zit het stadhuis. In de Twist Club, waar vroeger Spaanse soldaten zich in het zweet dansten, hangt nu de verse zeepgeur van een wasserette.

Naast de Art-deco vuurtoren staren bewoners van Ifni urenlang over de Oceaan. Natuurlijk weet hij zich de tijd van de Spanjaarden te herinneren, zegt Jama (43) terwijl hij tegen de balustrade hangt. In de bioscoop op zondag kon je kijken naar 'pistoleros' uit Texas en naar de avonturen van Tarzan. En bier was er, veel bier, zegt Jama in rap Spaans, waarna hij de roep van Tarzan over het strand laat schallen. Spanjaarden wisten wel wat feesten was. Gedanst werd er in het Casino, of in de officiersclub beneden aan het strand. Goed zingen konden ze ook, vooral die jongens van het Spaanse vreemdelingenlegioen. En Jama barst los: “Legionario lucha, legionario muerte”.

Reeds begin deze eeuw kreeg Spanje een protectoraat over de noordelijke Rif-zone en de zuidelijk gelegen Sahara tot aan de grens met Mauretanië. Erg succesvol kon de 'Pax Hispania' niet genoemd worden. De Spaanse bezettingsmacht was vanaf het begin incompetent, volstrekt niet uitgerust voor zijn taak en corrupt tot op het bot. “De Marokkanen civiliseren? Wij uit Castilië? We kunnen zelf niet eens schrijven of lezen. Wie zal ons dan komen civiliseren?” aldus een wanhopige Spaanse sergeant, die Marokko onder de Spanjaarden beschreef als een mengsel van “een slagveld, een bordeel en een immense kroeg.”

Sidi Ifni viel net buiten het protectoraatgebied. Maar tussen Spanje en Sidi Ifni bestonden al langer historische banden: al tegen het einde van de vijftiende eeuw werd een Spaans fort gesticht op deze plek, die tot 'Santa Cruz de Mar Pequeña' werd gedoopt. De fraaie naam kon niet verhinderen dat de Spanjaarden al snel de zee in werden gedreven en het fort tot de laatste steen werd afgebroken. Anders dan de Noordelijke, aan de Middellaandse zee gelegen Spaanse enclaves Ceuta en Melilla leidde Santa Cruz de Mar Pequeña lang een vergeten bestaan.

Met de instelling van het protectoraat herleefden ook de plannen voor een herbezetting van Sidi Ifni, maar voortdurend kwam er iets tussen: opstand onder onwillige dienstplichtigen, een kannoneerboot die terugkeerde omdat de bemanning heimwee kreeg, zware branding of schermutselingen met de plaatselijke berberstammen.

Maar in 1934 was het eindelijk zover: onder leiding van kolonel Capaz - later uitgeroepen tot oorlogsheld - landden de Spaanse invasietroepen. Sidi Ifni, een samenraapsel van een viertal vissershutten, werd door de conquistador ingenomen zonder dat er een druppel bloed vloeide. Franco's bouwmeesters stampten vervolgens in snel tempo een stadje uit de grond in een onnavolgbaar mengsel van Art Deco, Nieuwe Zakelijkheid en Moorse invloeden. Afgebladderd en wel zijn ze nog steeds te bewonderen: de school, de bioscoop, het postkantoor met zijn fraai gevormde brievenbussen, de forten en kazernes, het oude zwembad voor de militairen en de dierentuin.

Ayad Essaidi vertelt voor een klein publiek van toehoorders over de Spaanse tijd, toen er zo'n vijftigduizend soldaten in Ifni gelegerd waren. Vanaf de jaren veertig drijft hij een hotel-restaurant naast de Boot in Sidi Ifni, eerst met Spanjaarden, later met zijn familie. Suerta Loca, 'Gekkengeluk', noemde ze het, vanwege de twijfelachtige kansen op zakelijk succes in de pas gestichte nederzetting. Met zijn bijna Mexicaans aandoende bouwstijl, het Andalusische tegelwerk en de ouderwetse bodega was het een plek waar de soldaten graag kwamen. Vooral aan het Vreemdelingenlegioen bewaart Ayad levendige herinneringen. “Hombre, het was een bijeengeraapt zooitje van nationaliteiten. Als je je moeder had vermoord kon je altijd nog bij het Legioen”, aldus Ayad. Tot hilariteit van de omstanders geeft hij schommelend voor de bar van zijn café een imitatie van een dronken legionario ten beste.

Van de legerkazernes is het reusachtige Spaanse fort van het Schuttersbataljon het best bewaard gebleven. Trots en ongenaakbaar staat het op de rode rotsen aan de overzijde van de vallei waar de rivier de Ifni door stroomt. Hier diende Khalid (71) dertig jaar lang als klarinetspeler in Schutterorkest. “Ik heb nog gespeeld toen Franco op bezoek kwam”, herinnert Khalid zich glimlachend. Op het comfort van houtskool staat de thee, uit de cassette-recorder klinkt Sahara-Blues uit Mauretanië. “Een kleine man was dat, die Franco. Klein, maar slim.”

Het Schuttersbataljon dat in Sidi Ifni was gelegerd behoorde tot de gevreesde 'Moorse troepen' die in de Spaanse Burgeroorlog zij aan zij met Franco vochten. Ouderen als Khalid denken met gemengde gevoelens terug aan de Burgeroorlog. Zelf bleef hij thuis in Sidi Ifni. “Maar mijn broer, die drie maanden geleden stierf, was vaandeldrager. Overal stond hij in de voorste linies: in Catalonië, in Teruel, bij het beleg van het Alcázar van Toledo.” Na de oorlog keerde zijn broer gebroken terug op de thuisbasis, vertelt Khalid. Achtervolgd door de oorlogsgruwelen verloor hij al snel zijn verstand. “De Spanjaarden hebben hem gewoon het leger uitgegooid en nooit een cent pensioen betaald”, zegt Khalid verontwaardigd. Zelf ontvangt hij voor dertig jaar in Spaanse dienst maandelijks een kleine driehonderd gulden.

De herinnering aan Spanje is nog levend in Sidi Ifni, maar het verval eist zijn tol. Op de vroegere Plaza España staan de resten van het monument dat ter ere van de veroveraar van Sidi Ifni werd opgericht: een futuristische pilaar in een parkje met palmbomen en Spaanse glazuurtegels. Het hoofd van kolonel Capaz is weg, waarschijnlijk ingescheept met de struisvogels, apen en de giraf uit de dierentuin, toen de stad in 1969 door de Spanjaarden werd ontmanteld en overgedragen aan Marokko.

Wat bleef was de Teleferico, de even ambitieuze als onpraktische kabelbaan in zee, die in de jaren zestig werd gebouwd bij gebrek aan een goede haven. Als in een bombastisch filmdecor torenen kolossen van beton en staal tientallen meters uit boven de woest stampende Oceaan. De kabels zijn enkele jaren geleden volledig verroest naar beneden komen zetten, de transportkabine moet nog ergens tussen de rotsblokken in het ravijn liggen.

Ook op het land dreigt de Spaanse erfenis het af te afleggen tegen het gebrek aan onderhoud. Bij een grote overstroming in 1985 waarbij de rivier de Ifni buiten zijn oevers trad, spoelde een aantal villa's en een deel van de oude dierentuin simpelweg de zee in. En voor het overige doet het zout van de Oceaan zijn vernietigende werk, zoals in het geval van het oude Spaanse consulaat. “We willen het wel opknappen, maar de Spanjaarden vragen een te hoge prijs voor het gebouw”, zucht gemeentesecretaris Zahrei Lakseue. Vanuit zijn werkkamer in het het vroegere gouverneurspaleis heeft hij uitzicht op de beginnende ruïne. Aan de wil van de regering om te investeren in Sidi Ifni ontbreekt het niet, legt de gemeentesecretaris uit. Tientallen miljarden dirhams zijn al gestoken in de drinkwatervoorzieningen, elektra en de nieuwe haven. Maar voor opknappen van gebouwen zoals de Boot van Ifni, ontbreekt eenvoudigweg het geld, zegt Lakseue.

Rabat houdt dit deel van het land graag bevolkt, al was het alleen maar om de aanspraken op de zuidelijker Westelijke Sahara kracht bij te zetten. Visserij en conserve-verwerking, daar ligt de toekomst volgens het gemeentebestuur. Een geplande verbreding van de weg moet een stroom toeristen en dagjesmensen uit Agadir verder op gang brengen. Een Spaans cultureel centrum kan misschien wat meer bezoekers trekken, Koning Hassan heeft wel eens een ballonnetje richting Madrid opgelaten. Maar van Spaanse zijde wordt niet veel bijgedragen aan het gemeenschappelijke verleden. Alleen komt af en toe een van de voormalige Spaanse bewoners van Sidi Ifni zijn oude stad bezoeken. Italianen blijken meer te zien in de vreemde mengcultuur van het stadje en hebben een concessie weten te verkrijgen voor de bouw van een Italiaans appartementenhotel aan het strand.Alle Spanjaarden verhuisden met de ontruiming van het stadje in 1969 - voor het grootste naar de Canarische eilanden. Alleen de mooie Maria bleef, ze woont nog steeds in de sjieke wijk naast de vuurtoren, in haar vervallen villa achter grote bossen paarse bourgainville. De laatste tijd is Maria niet helemaal meer bij, fluisteren de bewoners van Sidi Ifni. Ze wrijft de kapotte ruiten van haar villa schoon met een stuk krantenpapier. Kan ze iets vertellen over de oude tijd in Santa Cruz de Mar Pequeña? Onder het opgestoken haar kijken twee zwaar opgemaakte ogen de bezoekers nieuwsgierig aan. Dan lacht Maria met haar rood geverfde lippen en sluit kakelend de luiken voor de ramen.

Met het afschaffen van de visumplicht enkele maanden geleden timmert Marokko flink aan de weg om een grotere stroom toeristen uit Nederland aan te trekken. Hoewel de toeristensector sinds de klap van de Golfoorlog weer enigszins hersteld is, wordt openlijk geklaagd over het tegenvallend aantal bezoekers. Een van de reden van het tegenvallend toeristenbezoek is ongetwijfeld de niet aflatende stroom gidsen, ritselaars en verkopers die zelfs de meest welwillende reiziger tot wanhoop drijven. Het is even doorzetten, maar eenmaal voorbij de toeristische trekpleisters ligt een vriendelijk en gastvrij land, met goedkope hotels, ongerepte natuur en veel bezienswaardigheden.

Marokko heeft veel te bieden: voor de zonaanbidders zijn er de stranden rond Agadir, (wind-)surfers kunnen terecht op vele plaatsen langs de Atlantische kustlijn, in de Atlas kan gewandeld en geskied worden en de spectaculaire zand- en rotswoestijnen lenen zich uitstekend voor tochten met de motor of mountain-bike. Voor liefhebbers van geschiedenis en cultuur zijn er betoverende steden als Marrakech en Fez.

Het zuidelijke deel van Marokko is ondermeer bereikbaar met vluchten op Agadir en Marrakech, waar auto's of bromfietsen kunnen worden gehuurd. De langere afstanden tussen de steden zijn daarnaast makkelijk af te leggen met de zogenaamde 'grand-taxi's' die privé, danwel gezamenlijk met anderen gehuurd kunnen worden. Ook de mountain-bike rukt op in Marokko, al is gezien het schrikbarend aantal verkeersslachtoffers enige voorzichtigheid aan te raden. De goed begaanbare, onverharde paden parallel aan het asfalt bieden daarbij uitkomst.

Sidi Ifni leent zich goed voor een uitstapje vanuit Agadir of Marrakesh. Het stadje ligt ruim 150 kilometer ten zuiden van Agadir aan de Atlantische kust. Bereikbaar via de P30 naar Tiznit, vervolgens met de kustweg 7064 via Mirleft. Naast hotel-restaurant Suerte Loca (kamers tussen ƒ 20 en ƒ 35) is er ondermeer ook het iets sjiekere Hotel Bellevue aan de vroegere Plaza España. Wie in wil slapen bij het geluid van een donderende branding kan terecht bij het aan het strand gelegen Hotel Aït Bâmrane.

In Nederland is geen Marokkaans verkeerbureau gevestigd, maar men kan zich wenden tot het Office Nationale Marocain du Tourisme, Rue du Marcier aux Herbes, 66. Brussel 1000. Inl 00-3325122986. fax 5126599.