Selectie aan de poort

Donderdag 30 maart spraken Drenth, hoogleraar psychologie, Eykhoff, hoogleraar meet- en regeltechniek, en Bolkestein, in zijn vrije tijd fractieleider van de VVD, in de aula van de Universiteit van Amsterdam, over selectie aan de poort van de universiteit. Een oudhollandse kerk vol emeritaten en andere intelligentsia, de voeten op grafzerken, na koffie met gesorteerde roomboterkoekjes. Drenth had vier modellen, Eykhoff vijf stellingen en Heer Bolk citeerde drie onderzoeken. Het was dus een leuke avond.

Alleen Eykhoff was heel erg. Het liefst zou ik over het onderwerp een boek schrijven maar er ligt nog correctie van schoolonderzoeken. Geen commentaar dus bij het selectie ei van Drenth dat Bolkestein wilde omvormen tot een Willem II sigaar, zie de W&O-bijlage van vorige week.

In Nederland wordt de leerling een schoolleven lang geselecteerd. Zo ontstaat een min of meer homogeen talentvolle groep leerlingen met een vwo-diploma, per jaar circa 30.000 personen geselecteerd uit een groep van zo'n 160.000. (De idiote selectieprocedures in de Verenigde Staten, door Eykhoff nota bene als navolgenswaardig gepropageerd, zijn hier dus overbodig).

Nu gaan de leerlingen over in andere handen, de boze handen van de universiteit. Die heeft veel aan te merken: het zijn er teveel (1), ze zijn lui (2), ze zijn te weinig talentvol (3) of hun wel aanwezige talenten zijn te weinig ontwikkeld (4). Selectie aan de poort heeft invloed op (1), maar geen invloed op (2) zoals Bolkestein en Eykhoff beweerden. De middelbare school maakt ze niet lui. Misschien kunnen de talentvollen (3) via selectie gevonden worden. De heren waren het hier niet eens. Over de invloed op (4) had Bolkestein aardige maar discutabele opmerkingen. Als je op eindexamencijfers selecteert zullen de slimmen werken voor meer dan een zes, hoopte hij.

Er is al een operatie in gang gezet om de universiteiten te bedienen: de vernieuwing van de tweede fase van het voortgezet onderwijs, een operatie gebaseerd op een serie denkfouten. Zo dringen de universiteiten aan op meer algemene vorming. Dat blijkt uit de roep om meer vreemde talen onderwijs en de geringe belangstelling voor vakinhouden. De hogescholen vooral willen door invoering van profielen juist meer nadruk op de voorbereiding op de beroepsopleiding. Inconsistente dus waardeloze plannen zijn het gevolg.Goed, we doen even of er geen plannen zijn. Wat doen we met die 30.000? Laat de universiteit het selectierecht aan de middelbare school, de instantie die de diploma's verleend, of moet/kan/wil de universiteit zelf selecteren? En hoe? Die 30ste maart werd duidelijk dat alleen eindexmencijfers een redelijk selectiecriterium bieden, en dan nog met twijfelachtig resultaat. Merkwaardig genoeg werd daarbij voorbijgegaan aan de grote spreiding in moeilijkheidsgraad van universitaire opleidingen. Deze spreiding is misschien wel groter dan de spreiding in intellectuele capaciteiten binnen de groep vwo-gediplomeerden.

Er is in de voordrachten geen onderscheid gemaakt tussen de mogelijkheden: (a) selectie voor een universitaire opleiding in het algemeen (bijvoorbeeld 7 gemiddeld geeft recht op toelating op alle universiteiten), (b) selectie per universiteit en (c) selectie per studierichting.

De grote spreiding aan benodigde capaciteiten levert een argument voor methode (c). Wat zou het mooi zijn als de slimmen afgezeefd konden worden voor electrotechniek en de niet zo slimmen naar vrijetijdskunde zouden worden gestuurd. Alleen correspondeert de spreiding in talenten niet met de belangstelling voor de opleidingen. Diergeneeskunde zal kunnen selecteren uit een groot aantal aanmeldingen in tegenstelling tot wis- en natuurkunde. Selectie type (c) zou leiden tot slimme dierenartsen en domme fysici.