Selectie (6)

Er bestaat een principieel verschil tussen selectie in het belang van de universiteit en die in het belang van de student. In het eerste geval tracht men ongeschikte studenten zoveel mogelijk te weren, in het tweede geval zo min mogelijk geschikte studenten af te wijzen.

Instellingsselectie is zeker te verdedigen bij een numerus clausus - als er minder plaatsen zijn dan gegadigden. De voorbeelden die Bolkestein noemt laten zien dat een dergelijke selectie dan soms effectief kan zijn. Wat hij niet noemt is dat uit oudere gegevens van het CBS blijkt dat de validiteit bij geneeskunde gering is en bij rechten vrijwel nihil. Waarschijnlijk is bij gemakkelijke studies in letteren en sociale wetenschappen, die veel slecht gemotiveerde studenten trekken, de validiteit ook laag.

Geringe validiteit betekent dat alleen bij een hoge selectie-ratio - veel meer gegadigden dan plaatsen - het rendement van selectie nog lonend is: bij geneeskunde zou deze ratio zeker 1:4 moeten zijn. Geen validiteit wil zeggen dat onder het mom van selectie in feite wordt geloot.

Het is goed te bedenken dat bij zeer gerenommeerde instellingen in Amerika, Engeland en Frankrijk altijd sprake is van een numerus clausus, omdat hun reputatie de toelating begeerlijk maakt. Die situatie kennen we in Nederland niet. Het is daarom bedenkelijk de betreffende gevallen als voorbeeld te gebruiken. De vraag wordt dus in ons land of men wel institutioneel mag selecteren als er voldoende plaatsen zijn. Wezenlijk is dat een ethisch probleem. Mag men in dat geval een potentieel geschikte student de kans onthouden om te tonen wat hij kan? Mijn antwoord luidt ontkennend. Te zeggen dat die student dan maar naar de Open Universiteit moet gaan, acht ik immoreel. Uit de voorbeelden die Bolkestein noemt blijkt dat zelfs bij een valide institutionele selectie aanzienlijke aantallen geschikten zullen worden geweerd. Deze selectie is dan m.i. niet geoorloofd. Als men echter de aftoetsgrens zo laag gaat stellen dat geen of vrijwel geen geschikten worden geweerd, worden zoveel ongeschikten toegelaten, dat selectie nog nauwelijks zin heeft.

Dit leidt tot de conclusie dat 'selectie aan de poort' alleen in overweging komt als er een numerus clausus is en bovendien het effect van validiteit en selectie-ratio de moeite waard is.

Wat kan men dan doen om verbetering in de situatie te brengen? Een adequate beantwoording van deze vraag zou te veel ruimte vergen. Ik volsta daarom met enkele opmerkingen. Men zou in de eerste plaats aan onderwijsdiploma's het civiele effect moeten ontnemen. Het middelbaar onderwijs mag gerust na een schoolexamen einddiploma's uitreiken als bewijs dat men aan de eisen van de school heeft voldaan, maar het hoger onderwijs moet studenten met te weinig voorkennis kunnen weren door een eigen toelatingsexamen. Het Centraal Schriftelijk Eindexamen - met opgaven waar ook het hoger onderwijs zeggensmacht over heeft en niet noodzakelijk met alle tegenwoordige vakken - zou daartoe bruikbaar kunnen zijn. Ook moet men aan een propaedeutisch examen geen automatisch recht voor voortgang verbinden, maar als aanvullende voorwaarde stellen dat de prestatie aan tempo- en kwaliteitseisen heeft voldaan.

In de tweede plaats kan men binnen studierichtingen differentiëren naar tijd en niveau. In plaats van het consilium abeundi moet men dan niet aarzelen het aloude judicium abeundi te geven, dat waar relevant ook uit het verstrekte diploma moet blijken.

In de derde plaats zou men de huidige starre programma's juist in de beginperiode moeten vervangen door flexibele keuzemogelijkheden zodat ook degenen die een korte studie kiezen, niettemin een zinvol programma kunnen volgen. Dit alles kan men samenvatten als selectie en route, die er toe kan bijdragen om veel problemen op te lossen.