Selectie (3)

De discussie over selectie aan de poort van de universiteit lijkt te komen op een tijdstip waarop zij eigenlijk niet meer nodig is. De massaliteit van de deelname aan het universitair onderwijs zal waarschijnlijk aanzienlijk verminderen door de invoering van de prestatiebeurs. Omdat er voortaan financieel risico verbonden zal zijn aan een te lichtvaardige inschrijving voor onderwijs met een hoge graad van moeilijkheid, zullen de meeste studenten zich vooraf terdege beraden op hun persoonlijke geschiktheid, ook al zijn zij in het bezit van een diploma dat hun formeel tot dit onderwijs toegang geeft. Daarmee wordt tevens één van de volgens Drenth gunstigste predictoren voor succes in het universitair onderwijs gerealiseerd: zelfselectie op basis van de subjectief geschatte slaagkans.

Een aanwijzing dat deze factor reeds bezig is zijn werk te doen kan gevonden worden in het aantal vooraanmeldingen voor universitaire studies, dat in december jl. - in elk geval voor bepaalde faculteiten - aanzienlijk geringer was dan in voorgaande jaren.

Als desondanks nog veel ongeschikte studenten het universitair onderwijs zouden binnenstromen, zou dat een reden kunnen zijn om over te gaan tot selectie aan de poort. Dat zou betekenen dat universiteiten toelatingsexamens moeten gaan organiseren. De implicaties van een dergelijk besluit moeten echter niet onderschat worden:

- het zou hoge kosten met zich meebrengen;

- arbituriënten in het voortgezet onderwijs zouden binnen een jaar geconfronteerd worden met drie examens: het schoolonderzoek, het centraal schriftelijk eindexamen en het toelatingsexamen voor universiteit en/of HBO;

- ongetwijfeld zou het ook leiden tot devaluatie van het eindexamen VO.

De vraag die zich dan opdringt is: kan niet één van de twee eerstgenoemde examens dienen als toelatingsexamen voor de universiteit? Mijns inziens is dat - behalve wenselijk - ook mogelijk, door het centraal schriftelijk eindexamen VWO het karakter te geven van een universitair toelatingsexamen. De universiteiten zouden dan uiteraard invloed moeten hebben op de omvang en inhoud ervan. En de cijfers van het schoolonderzoek en het centraal schriftelijk zouden natuurlijk niet meer gemiddeld mogen worden. Op deze manier zouden drie doelen tegelijk worden bereikt: selectie vóór de poort, geen extra examen en - waarschijnlijk - een verhoging van het niveau van het schoolonderzoek. Als daarnaast de propaedeuse gehandhaafd zou worden als een laatste controle op de geschiktheid van de toegelaten studenten, zou een optimale situatie bereikt zijn.