Poëtische grafiek van Miró

Joan Miró. Grafisch werk 1930-1972. Stedelijk Museum Schiedam, Hoogstraat 112. T/m 28 mei. Di t/m za 11-17u, zo- en feestdagen 12u30-17u. Cat ƒ 9,50

Het Stedelijk Museum Schiedam viert zijn 95-jarig bestaan met een overzichtstentoonstelling van het grafische werk van Joan Miró (1893-1983). De Spaanse surrealist is een goede keuze voor dit jubileum. Hoewel exposities van zijn werk in Nederland vrij zeldzaam zijn, heeft Miró de moderne kunst na 1945 toch diepgaand beïnvloed.In Schiedam is ter illustratie van zijn invloed een zaal ingericht met Nederlandse Cobrakunst, waarvan het museum een mooie collectie bezit. Hier blijkt duidelijk hoe sterk omstreeks 1948 de verwantschap is tussen de beelden van Miró en de fantasiewezens die de schilderijen en tekeningen van Appel, Constant, Corneille, Rooskens en anderen bevolken.

De grafische technieken ontdekte Miró pas in de jaren dertig toen hij als schilder al zijn eigen stijl had gevonden. De eerste prent op de tentoonstelling, in droge-naaldtechniek, maakte hij voor een bundel van een bevriende dichter. De opbouw van de voorstelling naar het mythologische verhaal van Daphnis en Chloé, is nog vrij traditioneel. Op de voorgrond staat de fluitspelende herder Daphnis, die ten slotte in een steen zal veranderen. In de verte achtervolgen twee nimfen elkaar, terwijl op het middenplan een geit rustig een groen blaadje verorbert.

Al spoedig na dit eerste begin bereikt Miró in zijn prenten dezelfde virtuositeit als in zijn schilderijen. De vertrouwde wereld valt uiteen in een mozaïek van vreemde wezentjes, tekens, kleurvlekken en fragmenten uit de realiteit. In deze surreële droomwereld is er geen sprake meer van onder of boven, links of rechts - mensen en dingen lijken verwikkeld in een magisch spel.

Dezelfde elementen duiken steeds opnieuw in andere constellaties op. Vooral de series geven een goed inzicht in Miró's werkwijze. Hij buit de mogelijkheid om met dezelfde plaat of lithosteen verschillende afdrukken te maken ten volle uit. Zo draait hij bijvoorbeeld een blad om, verandert de kleur, haalt elementen weg en voegt iets anders toe waardoor, als bij een kaleidoscoop, een beeld ontstaat dat wel anders is, maar niet volkomen nieuw.

In dit poëtische rijk der vrijheid heeft Miró alle touwtjes in handen. Op het ene blad verbeeldt een rechthoekig blauw vlak met rode cirkel de zon, op het volgende is het geheel een onderdeel geworden van een vreemd personage dat je met grote ogen aanstaart. Een ander voorbeeld van het werken in series is een zelfportret uit 1938. In de opeenvolgende staten van deze droge naald verdwijnt Miró's gezicht langzaam maar zeker achter een wirwar van dunne lijntjes en figuratieve tekens. Pluie de lyres - regen van lieren; Cirques de melancolie - circussen van melancholie staat linksonder op de laatste prent geschreven.

Miró is een jongleur die telkens de verschillende elementen schijnbaar moeiteloos in balans weet te houden. Het schouwspel wekt verbazing en bewondering, maar na een tijdje vervalt hij in herhaling. Dat hoeft geen bezwaar te zijn, ook Picasso heeft eindeloos veel prenten gemaakt over de schilder en zijn model. Maar anders dan Picasso, blijft Miró altijd speels en lichtvoetig; het spottende, vileine onbreekt bij hem. Het verwaterde beeld van een verantwoord affiche voor de tienerkamer krijgt dan de overhand boven het beeld van de scherpzinnige improvisator waardoor Miró terecht beroemd is.