In Memoriam James S. Coleman

Op 25 maart j.l. overleed James S. Coleman, door velen gezien als een van de grootste sociologen van deze tijd. Coleman heeft meer dan dertig boeken geschreven en meer dan driehonderd artikelen gepubliceerd.

Weinig sociologen hebben zo in de publieke belangstelling gestaan als Coleman. Zijn eerste optreden was aanleiding tot een van de grote beleidscontroversen in Amerika. In 1966 verscheen onder Colemans leiding het rapport over Amerikaanse scholen 'Equality of Educational Opportunity'. Er was nog nooit eerder een zuiver sociologisch onderzoeksproject van deze omvang uitgevoerd. Onverwacht ging de conclusie van het rapport lijnrecht in tegen twee pijlers van de Amerikaanse vooruitgangsideologie. De toegang tot opleidingskansen bleek zeer ongelijk verdeeld. Zwarten, armen, kinderen uit etnische minderheden en van ouders met weinig opleiding hadden een grote achterstand. Dat was een harde klap voor de gelijkheidsideologie.

Maar net zo pijnlijk was de stoot in het hart van het geloof van de maakbaarheid van de maatschappij. Het idee van vooruitgang was in Amerika altijd sterk geworteld in de mogelijkheid door scholing alles te bereiken. Nu bleek de invloed van scholen, bibliotheken en programma's juist van weinig invloed op studieresultaten.

De grootste invloed ging uit van de kwaliteit van de leraren en vooral van de scholieren onderling. Zwarte kinderen uit een laag milieu presteerden veel beter in een middenklasse-school dan in een school met vooral kinderen uit een lager milieu, ongeacht hoe rijk de scholen zelf waren.

Na het verschijnen van dit rapport barstte een controverse los. De overheid wilde de resultaten het liefst weer in een la laten verdwijnen, anderen probeerden de resultaten onderuit te halen, en weer anderen grepen het rapport aan om een nieuw beleid van desegregatie in te voeren.

Voor Coleman waren deze gevolgen van het rapport een grote schok. Wat er gebeurde had niets te maken met de bedoelingen van de opstellers. Coleman zag dat er fundamentele dingen fout gingen met de reactie op het rapport. Hij zag dat dit op grote schaal ook bij ander beleidsonderzoek gebeurde. Opdrachtgevers hebben behoefte aan 'feiten', omdat deze het gezag van wetenschap hebben en toch selectief gebruikt kunnen worden. Wat moet een onderzoeker daarmee? Zonder de willekeur van deze selectie op te lossen kun je volgens Coleman beleidsonderzoek niet aan politisering onttrekken, ook probeer je als onderzoeker nog zo waardeneutraal te zijn.

Hoe is dat probleem op te lossen? Coleman koos een moeilijke weg. Je moet in het beleidsonderzoek niet alleen 'feiten' registreren, maar ook de mechanismen bloot leggen van de onderlinge samenhang van factoren. Hieruit zou moeten blijken welke factoren belangrijk zijn. Consensus over feiten wordt dus in eerste instantie geschapen door consensus over de samenhang van feiten. Dit inzicht had Coleman in zijn schoolonderzoek van 1966 nog niet, waardoor tien jaar lang de publieke discussie met gepolitiseerde 'feiten' doorging.

De voorgestelde weg van het blootleggen van mechanismen geeft een heel andere draai aan de traditionele onderscheiding van fundamenteel en toegepast onderzoek. Voor Coleman is fundamenteel onderzoek de enige manier om de instrumenten te scheppen voor het blootleggen van mechanismen. Het gaat hier om verbanden tussen delen van het geheel en daarom is fundamenteel onderzoek noodzakelijkerwijs op het microniveau. Bijvoorbeeld, het is niet goed direct de 'macrovraag' te stellen wat het gewicht van de factor 'voorzieningen' op school is. Om iets over de omstandigheden van het gewicht van 'voorzieningen' te weten te komen, moet men eerst bepaalde 'microvragen' beantwoorden, zoals de vraag welk gebruik er door leraren en scholieren van verschillende faciliteiten op school gemaakt wordt, welke belangen er spelen, en hoe dit gebruik gestabiliseerd wordt.

Voor onderzoek op het microniveau is het nodig om een goede theorie te hebben over hoe mensen handelen. Deze theorie moet niet alleen ervan uitgaan dat mensen gewoon doen wat ze geleerd hebben te doen, maar moet duidelijk maken hoe handelingsdoelen het gedrag beïnvloeden. Hiermee komt de sociologie dichter in de buurt van andere wetenschappen, zoals economie en cognitieve psychologie. Coleman heeft zich in de laatste tien jaar sterk gemaakt voor dit soort theorievorming en in 1990 zijn magnum opus op dit terrein gepubliceerd: 'Foundations of Social Theory'.

Het belang van deze aanpak staat of valt voor Coleman met het belang van beleidswetenschap voor onze maatschappij. Volgens Coleman groeit het belang van beleidswetenschap en dat komt door een verandering die zich bijna ongemerkt in onze maatschappij voltrekt.

Er worden door het beleid steeds meer 'niet-menselijke' actoren geschapen, zoals de Tweede Kamer, de commissie X, de Rekenkamer, scholen e.d. Tegelijkertijd is er ook een proces gaande waarin de gegroeide instituties zoals familie steeds meer naar de achtergrond worden gedrongen. Het resultaat van deze dubbele verschuiving is een maatschappij waarin het individu in toenemende mate bloot staat aan de invloed van door mensen gemaakte, maar niet-menselijke actoren.

Hoe functioneren deze actoren? Welke functies verdwijnen door het wegvallen van gegroeide instituties en hoe kunnen zij worden vervangen? Om deze vragen te beantwoorden moet er een wetenschap zijn die deze vragen aan kan.

Sociologie heeft volgens Coleman als hoofdtaak dit soort vragen te beantwoorden, maar dat lukt alleen als sociologen ook in staat zijn om op micro- en macroniveau in theorie en empirisch onderzoek met elkaar te verbinden. Alleen dan kan sociologie uitgroeien tot een discipline die aangeeft welke constructie-eisen aan mens-gemaakte actoren gesteld moeten worden.